Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
FranchiserechtOndernemingsrecht

Boetebeding in een vaststellingsovereenkomst: iets om goed over na te denken

Jan-Willem Kolenbrander

20 mei 2019 - 4 minuten leestijd

Zoals in een eerdere blog al is aangegeven (klik hier) is een zogenaamd boetebeding een veel voorkomend contractueel beding in de franchiseovereenkomst. Een boetebeding is met name bedoeld om (doorgaans) de franchisenemer te prikkelen zijn verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst richting de (doorgaans) franchisegever deugdelijk na te komen. Doet de franchisenemer dat niet of niet tijdig, dan moet hij een bepaalde geldboete betalen aan de franchisegever.

Geraken een franchisegever en franchisenemer onverhoopt in een juridisch geschil en is de gang naar de rechter noodzakelijk dan komt het regelmatig voor dat partijen ter zitting bij de rechter alsnog een schikking met elkaar treffen. Partijen sluiten dan een vaststellingsovereenkomst ter afwikkeling van hun geschil. De rechter kan deze vaststellingsovereenkomst met de schikking vervolgens in een proces-verbaal opnemen. Dat proces-verbaal is een officieel gerechtelijk document waardoor de vaststellingsovereenkomst net zoveel juridische kracht krijgt als ware het een (eind)vonnis van de rechter zelf. Nakoming van de vaststellingsovereenkomst kan dan direct worden afgedwongen via (doorgaans) de deurwaarder.

Vaak zullen partijen er voor kiezen om in een regeling bij de rechter ook een boetebeding op te nemen, al dan niet wederzijds, om elkaar te prikkelen de regeling deugdelijk na te komen. Waar een boetebeding in een ‘normale’ overeenkomst via de rechter moet worden afgedwongen, is dat niet nodig in het geval van een boetebeding in een vaststellingsovereenkomst die in een proces-verbaal is opgenomen. Een partij die meent dat de andere partij boetes verbeurt, kan direct een gerechtsdeurwaarder op pad sturen om – bijvoorbeeld – beslag te leggen op bankrekeningen.

En daar kan een crux zitten; op het moment dat een partij de beschikking krijgt over een boetebeding, dat direct en zonder tussenkomst van de rechter kan worden geëxecuteerd, ligt er een risico op de loer dat deze partij (te) snel executiemaatregelen treft. Dat risico is uiteraard nog hoger als partijen enige tijd (juridisch) met elkaar overhoop lagen, zodat het vertrouwen over en weer minimaal is en van een gezonde communicatie geen sprake (meer) is. Vaak zal het executeren van het boetebeding echter weer nopen tot nog meer gerechtelijke procedures, hoewel de vaststellingsovereenkomst juist was bedoeld om een einde te kunnen maken aan het geschil tussen partijen.

Een aardig voorbeeld van het voorgaande is wellicht het kort geding tussen franchisegever Ambulance NL en haar franchisenemer AES (ECLI:NL:RBOBR:2019:2868 – klik hier voor het volledige vonnis). Partijen hadden een conflict met elkaar waarbij franchisegever via een eerder kort geding nakoming vorderde van franchisenemer van een non-concurrentie- en relatiebeding. Tijdens de mondelinge behandeling hadden partijen ter zitting een vaststellingsovereenkomst gesloten die door de rechter in een proces-verbaal was opgenomen, waarmee het executoriale kracht kreeg.

Eén van de verplichtingen uit hoofde van deze vaststellingsovereenkomst was dat beide partijen uiterlijk op 15 april 2019 een e-mail met een bepaalde inhoud zouden versturen aan hun eigen relaties. Zou dat niet (tijdig) gebeuren, dan zou de nalatige partij een direct opeisbare boete van € 15.000 verbeuren aan de andere partij, aan te vullen met € 1.000 per dag. Franchisenemer was echter vergeten om aan een 17-tal van haar eigen relaties tijdig voornoemde e-mail te sturen, maar hij deed dat alsnog op 25 april.

Franchisegever beriep zich op het boetebeding in de vaststellingsovereenkomst en vorderde een aanzienlijke boete van € 459.000 van franchisenemer. Franchisegever legde daarna (executoriaal) beslag op de banktegoeden van franchisenemer en op twee ambulances, een personenauto, een motorfiets en een monitor op wielen. Franchisenemer startte vervolgens een kort geding om, onder meer, deze beslagen opgeheven te krijgen, omdat hij van mening was dat franchisegever het boetebeding onjuist uitlegde.

De voorzieningenrechter stelt vast dat franchisenemer niet tijdig heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst door pas op 25 april bepaalde e-mails te sturen. Dat er dus boetes zijn verbeurd, is in de visie van de rechter aannemelijk. De vraag is echter welk bedrag aan boetes is verbeurd, omdat beide partijen het boetebeding anders uitleggen. Aldus de rechter is het verdelen van de relaties de kern van de vaststellingsovereenkomst. Dat rechtvaardigt in zijn visie echter nog niet de conclusie dat partijen dus ook bedoeld zouden hebben om elke te late e-mail te bestraffen met een boete van € 15.000. Daarnaast overweegt de rechter dat de gevolgen van het te laat verzenden van de e-mails door franchisenemer op het eerste gezicht niet bijzonder ernstig lijken, omdat het zijn eigen relaties betreffen en dus niet de relaties van franchisegever. Er is, aldus de rechter, sprake van een ‘geringe ernst’ van de overtredingen.

Wat partijen precies hebben bedoeld met het boetebeding kan de voorzieningenrechter niet eenvoudig vaststellen in kort geding, zodat daarvoor een bodemprocedure noodzakelijk is. In die bodemprocedure kan dan volgens de rechter ook aan de orde komen of franchisegever zelf ook geen boetes heeft verbeurd, omdat zij een 7-tal relaties niet (tijdig) heeft gemaild. Om die reden oordeelt de rechter dat de executie van de boetes geschorst moet worden totdat de bodemrechter heeft vastgesteld welk bedrag franchisenemer aan boetes heeft verbeurd.

Het voorgaande illustreert dat het verstandig is om goed na te denken of het daadwerkelijk noodzakelijk is om een boetebeding op te nemen in een schikking bij de rechter. Hoewel een boetebeding in sommige gevallen zeer nuttig kan zijn, kan een dergelijk beding – zoals hiervoor ook blijkt – er juist de oorzaak van zijn dat partijen hun strijdbijl niet definitief kunnen begraven. En dat staat weer op gespannen voet met een vaststellingsovereenkomst die juist is bedoeld om partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil definitief af te wikkelen. Een goede afweging blijft dus noodzakelijk.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

 

Naschrift: op grond van het hiervoor besproken vonnis was franchisegever ook gehouden om de in beslag genomen ambulances, personenauto, motorfiets en monitor terug te geven aan franchisenemer. Ten aanzien van één voertuig beriep franchisegever zich echter op een retentierecht en weigerde deze terug te geven. Dat was weer aanleiding voor een kort geding tussen partijen. Zie ECLI:NL:RBOBR:2019:2870 (klik hier voor het vonnis).

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?