Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Aanbestedingsrecht

Vervaltermijn vs. opschortingstermijn

Vastgoed, Overheid & Notariaat

Per van der Kooi

20 oktober 2017 - 3 minuten leestijd

In het aanbestedingsrecht spelen termijnen een grote, vaak doorslaggevende rol. Onderscheid moet worden gemaakt tussen verval- en opschortende termijnen.

Wat is het verschil?

Door het verstrijken van een vervaltermijn vervalt het recht om een rechtsvordering in te stellen. De eisende partij wordt in zijn/haar vordering dan niet-ontvankelijk verklaard. Te laat is te laat! De opschortende termijn is de termijn gedurende welke een aanbestedende dienst, nadat zij het voornemen tot gunning bekend heeft gemaakt, moet wachten alvorens tot (definitieve) gunning over te gaan en de overeenkomst te sluiten. Deze termijn wordt ook wel de standstill- of Alcateltermijn genoemd.

Op zich helder. Maar in de praktijk leidt dit soms toch tot discussie.

Wat was er aan de hand?

De Gemeente Katwijk heeft een offerteaanvraag gepubliceerd voor de inhuur van externen binnen de gemeente.

In de offerteaanvraag is onder meer bepaald dat een inschrijver zijn recht om “op te komen tegen de mededeling van de gunningsbeslissing” verliest “wanneer de aanbestedende dienst niet binnen 20 kalenderdagen na de datum van verzending van de brief waarin de mededeling van de gunningsbeslissing bekend is gemaakt, is gedagvaard in kort geding voor de bevoegde voorzieningenrechter rechtbank Den Haag door betekening binnen de genoemde termijn van een kort geding dagvaarding op het adres van de aanbestedende dienst”. Een vervaltermijn dus.

Per brief van 13 juni 2017 heeft de gemeente aan de inschrijver meegedeeld dat haar inschrijving (om voor dit artikel niet relevante redenen) ongeldig is en dat zij niet voor gunning in aanmerking komt. Die brief is op 14 juni 2017 door de inschrijver ontvangen. In een e-mailbericht van 15 juni 2017 heeft de gemeente haar standpunt onderbouwd en toegelicht waarom zij geen herstelmogelijkheid aan de inschrijver kan en wil bieden. De advocaat van inschrijver verzoekt de gemeente per e-mail van 23 juni 2017 dat besluit te heroverwegen. Op 30 juni 2017 heeft de advocaat van de gemeente meegedeeld daartoe niet over te gaan en de opschortingstermijn niet te verlengen. Vervolgens heeft de advocaat van inschrijver op 3 juli 2017 de verhinderdata van de gemeente opgevraagd, is op 4 juli 2017 een datum voor een kort geding aangevraagd en verkregen en is de dagvaarding diezelfde dag aan de gemeente betekend.

De Gemeente heeft zich in de procedure op het standpunt gesteld dat de inschrijver in haar vorderingen niet ontvankelijk is omdat de dagvaarding niet binnen de hierboven genoemde vervaltermijn is betekend. De voorzieningenrechter volgt de Gemeente in dat verweer. De argumenten die de inschrijver naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat zij wel ontvankelijk is, worden niet gevolgd. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de brief waarin de mededeling van de gunningsbeslissing bekend is gemaakt, op 13 juni is verzonden. De termijn van 20 kalenderdagen na die datum eindigde derhalve op 3 juli 2017. Een dag later, op 4 juli 2017, is de dagvaarding van dit kort geding betekend op het adres van de Gemeente.

De inschrijver heeft erop gewezen dat de vervaltermijn feitelijk korter is dan de minimale opschortende termijn. Terwijl die opschortingstermijn er nu juist is om rechtsmaatregelen te kunnen nemen voordat een overeenkomst tot stand komt. In beide gevallen is de termijn weliswaar twintig dagen en vangt die aan op de dag waarop de gunningsbeslissing is verzonden, echter, aldus de inschrijver, is in de Aanbestedingswet voorgeschreven dat de mededeling over de opschortende termijn elektronisch of per fax dient plaats te vinden, waardoor die mededeling diezelfde dag nog ontvangen. Bij verzending van de brief met de gunningsbeslissing (waardoor, in dit geval, de vervaltermijn gaat lopen), vindt de ontvangst minimaal een dag later plaats.

De rechter gaat ook daarin niet mee. De wettelijke opschortingstermijn is nu eenmaal iets anders dan de vervaltermijn die in de offerteaanvraag staat vermeld. Die vervaltermijn betreft een door partijen overeengekomen, en dus contractuele, vervaltermijn, die inhoudt dat een afgewezen inschrijver na die termijn niet meer in rechte op kan komen tegen de voorlopige gunningsbeslissing. De inschrijver heeft voordat zij haar inschrijving indiende geen bezwaar gemaakt tegen deze termijn, hierover geen vraag gesteld en hiermee dan ook onvoorwaardelijk ingestemd.

Houdt termijnen dus scherp in de gaten. Een open deur? Dan zou deze procedure niet zijn gevoerd…

Per van der Kooi en Menno de Wijs, advocaten aanbestedingsrecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?