Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
IT, IE & Privacy

Auteursrechten voor de baas: het werkgeversauteursrecht

IT, IE & Privacy

Teun Pouw

8 augustus 2017 - 2 minuten leestijd

Het auteursrecht is het uitsluitend recht van de maker om een werk “openbaar te maken” en “te verveelvoudigen”. Dit recht komt toe aan de maker: de persoon die het werk heeft vervaardigd. Het werkgeversauteursrecht vormt hier een uitzondering op. Artikel 7 van de Auteurswet bepaalt dat wanneer een werk in dienst van een ander is vervaardigd het auteursrecht aan de werkgever toekomt. De werknemer wordt hiermee gepasseerd.

Als er in de arbeidsovereenkomst geen duidelijke afspraken zijn gemaakt over auteursrechten, kan dit aanleiding zijn voor geschil. Bijvoorbeeld wanneer de werknemer uit dienst treedt en de auteursrechten over een werk wil uitoefenen. In deze blog wordt ingezoomd op het juridisch kader van artikel 7 van de Auteurswet.

Wil het auteursrecht overgaan op de werkgever, dan moet er sprake zijn van een dienstbetrekking. Om te spreken van een dienstbetrekking moet worden voldaan aan de volgende eisen:

  • er moet sprake zijn van het verrichten van werk;
  • er moet loon worden betaald;
  • er moet een gezagsverhouding bestaan.

Een overeenkomst van opdracht voldoet niet aan deze eisen. Als het ontwerpen van een nieuwe huisstijl of logo wordt uitbesteedt aan een zzp’er behoudt deze dus zelf de auteursrechten. Het is dan ook verstandig (lees: noodzakelijk) in de overeenkomst van opdracht afspraken vast te leggen over de overdracht van auteursrechten of specifieke licentievoorwaarden op te nemen. Art. 7 van de Auteurswet ziet ook niet op de stageovereenkomst. Technisch gezien verricht een stagiair namelijk geen arbeid, maar doet deze kennis en ervaring op. Wil de werkgever aanspraak maken op de auteursrechten van de stagiair, dan zal hierover een bepaling moeten worden opgenomen in de stageovereenkomst.

Voor het ontstaan van werkgeversauteursrecht is alleen een dienstbetrekking niet voldoende. Wil het auteursrecht overgaan naar de werkgever dan moet het maken van een werk passen in de functieomschrijving. Is dit niet het geval dan is toch de werknemer in principe de auteursrechthebbende. Een voorbeeld uit de praktijk is een accountmanager die tijdens werktijd software ontwikkelt en via zijn werkgever distribueert, zonder dat ooit is afgesproken dat dit onderdeel uitmaakt van de functie van de werknemer. Het kwam tot een geschil toen de werknemer uit dienst trad en zijn software meenam. De rechtbank kwam tot het oordeel dat het ontwikkelen van software niet valt onder de werkzaamheden die de maker diende te verrichten in het kader van zijn dienstverband. Derhalve was het auteursrecht niet overgegaan op de werkgever[1].

Volgens vaste jurisprudentie is hier wel een uitzondering op: de incidentele opdracht. Dit houdt in dat de werkgever incidenteel gebruik maakt van de diensten van de werknemer, buiten de eigenlijke functie om. Als hieruit een werk wordt vervaardigd komen de auteursrechten wel toe aan de werkgever. Deze incidentele opdracht hoeft niet schriftelijk te zijn bevestigd, een mondelinge opdracht is voldoende.

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er veel haken en ogen aan artikel 7 van de Auteurswet zitten. De moraal van het verhaal is derhalve dat  er in arbeidsovereenkomsten en overeenkomsten van opdracht duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over auteursrechten. Liever alles goed vastgelegd, dan twijfel over de vraag of artikel 7 Auteurswet van toepassing is.

Teun Pouw
Advocaat IE-recht en BMM-merkengemachtigde

 

[1] Rb Midden-Nederland 18 september 2013, C-16-329780 – HA ZA 12-1084

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?