Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Inkoopverplichting van meer dan 80% bij franchise niet automatisch taboe

Ondernemingsrecht

Jan-Willem Kolenbrander

17 januari 2014 - 2 minuten leestijd

Elke (directe of indirecte) verplichting die op een franchisenemer wordt gelegd, om meer dan 80% van zijn totale inkoop bij de franchisegever, of een door de franchisegever aangewezen leverancier, af te nemen, wordt gezien als een zogenaamd non-concurrentiebeding.

Een dergelijke non-concurrentiebeding kan in bepaalde gevallen de vrije marktwerking verstoren. Als dan ook komt vast te staan dat een dergelijk non-concurrentiebeding in strijd is met artikel 6 van de Mededingingswet dan zal dit beding nietig zijn en kan de franchisegever er geen beroep (meer) op doen. Om deze verregaande sanctie te voorkomen, zullen veel franchiseformules veiligheidshalve een inkoopverplichting opleggen van maximaal 80% van de totale inkoop. Een ‘zwaardere’ inkoopverplichting dan deze 80% hoeft mededingingsrechtelijk echter niet altijd automatisch ontoelaatbaar te zijn binnen franchising.

In dat kader kan gewezen worden op een relatief recente kwestie die speelde bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden (lees het arrest hier).

In deze kwestie stonden – kort gezegd – de Duitse speelgoedgroothandelaar Vedes en de Nederlandse retailorganisatie Otto Simon tegenover elkaar. Van belang daarbij is om op te merken dat Otto Simon een speelgoed franchiseformule exploiteert onder de naam ‘Top1Toys’. Aldus Vedes zou Otto Simon onrechtmatig handelen, omdat zij de aan haar formule gelieerde franchisenemers een verbod had opgelegd om speelgoed in te kopen bij andere leveranciers dan die door Otto Simon waren aangewezen. Het moge helder zijn dat Vedes niet één van die aangewezen leveranciers was. Zij voelde zich dan ook benadeeld en was van mening dat de aan de franchisenemers opgelegde inkoopverplichting van 100% in strijd was met de Mededingingswet en daarmee nietig.

Gezien de diverse bepalingen in de franchiseovereenkomst stelde het gerechtshof vast dat er inderdaad sprake was van een non-concurrentiebeding, omdat de franchisenemers van Otto Simon verplicht waren om meer dan 80% in te kopen bij een door de franchisegever aangewezen leverancier. Nu echter onder meer niet vast kwam te staan dat er sprake was van een merkbare verstoring van de mededinging, zoals bedoeld in artikel 6 van de Mededingingswet,  kreeg Vedes geen gehoor bij het gerechtshof.

De moraal van dit verhaal: zolang er geen merkbare verstoringen optreden, behoeft een inkoopverplichting binnen een franchise samenwerking niet automatisch beperkt te blijven tot 80% van de totale inkoop. Dit te meer als de looptijd van de franchiseovereenkomst, waarin het beding staat, niet langer is dan vijf jaar. Nu veel franchiseovereenkomsten van rechtswege eindigen na vijf jaar en veel franchiseformules sowieso slechts een beperkt marktaandeel kennen, is er op het punt van de inkoopverplichting dus veel meer mogelijk dan vaak wordt aangenomen. Een inkoopverplichting van 100% kan dan ook toelaatbaar zijn, mits de juiste afwegingen zijn gemaakt.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?