Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Ondernemingsrecht

Laat klagen niet meer perse verval van rechten tot gevolg

27 oktober 2013 - 3 minuten leestijd

De zogenaamde “onderzoeks- en klachtplichtregeling” heeft in het verleden menige vordering van een teleurgestelde schuldeiser/koper doen stranden. De onderzoeks- en klachtplicht is bedoeld de verkoper voor late en daardoor moeilijk te betwisten klachten te behoeden.

Op grond van artikel 6:89 BW kan de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd. In artikel 7:23 BW een specifieke regeling voor “koop”, is geregeld, dat de koper geen beroep meer erop kan doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven.

Blijkens de wetsgeschiedenis berust de klachtplicht op de gedachte, dat de schuldenaar erop moet kunnen rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat deze, indien dit niet het geval blijkt te zijn, zulks – eveneens met spoed – aan de schuldenaar meedeelt.

Verkopers hebben sinds de invoering van deze regeling met het nieuw BW in 1992 in toenemende mate gebruik gemaakt van dit voor de verkoper zeer “scherpe wapen”. Bij een consumentenkoop moet de kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking geschieden, waarbij een kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de ontdekking tijdig is. Ook in “business to business” werd door lagere rechtspraak in toenemende mate aangeknoopt bij deze relatief korte termijn van twee maanden bij de beoordeling, of door koper “binnen bekwame tijd” was geklaagd. Dit kwam in feite neer op een vaste klachttermijn van twee maanden, die streng werd gehandhaafd met een voor de schuldeiser/koper ingrijpend rechtsgevolg, te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming. Op deze rigide aanpak is in het verleden in de literatuur veel kritiek geweest. Kennelijk heeft de Hoge Raad zich deze kritiek in toenemende mate aangetrokken.

In het arrest Pouw/Visser ( HR 29 juni 2007, NJ 2008, 606) noemde de Hoge Raad bij de beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd de omstandigheid, of de verkoper nadeel lijdt door de lengte van de in acht genomen klachttermijn al uitdrukkelijk als belangrijke factor.

In het arrest  Ploum/Smeets II ( HR 25 maart 2011,  RvdW2011, 419) trok de Hoge Raad de ingezette lijn nog verder door en oordeelde, dat in belangrijke mate mede bepalend is in hoeverre de belangen van de verkoper door de in een concreet geval in acht genomen klachttermijn al dan niet zijn geschaad. Het nadeelsvereiste van de verkoper (of te wel het ‘belangaspect’) is daardoor kennelijk zwaarder gaan wegen dan het tijdsaspect.

Met het begin van dit jaar gewezen arrest Van de Steeg/Rabobank (8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600) tenslotte heeft de Hoge Raad “de angel” uit de klachtplicht gehaald. In dit arrest heeft de Hoge Raad (in r.o 4.2.6) geoordeeld:

“In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in art. 6:89 BW vermeld – te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend.”

Daarmee is een belangrijke verschuiving teweeggebracht en is het voor de wederpartij van een klager niet meer voldoende om in geval van een enkel (groot) tijdsverloop een vordering van de klager met een beroep op de klachtplicht (zoals geregeld in de artikelen 6:89/ 7:23 BW) te weren. Het blijft uiteraard van belang om klachten zo spoedig mogelijk aan een wederpartij te melden. Het lijkt er nu op, dat een beroep op de schending van de klachtplicht niet (meer) zal worden gehonoreerd indien blijkt, dat de verkoper niet in zijn belangen is geschaad. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan het – in het verleden door een oneigenlijk gebruik respectievelijk misbruik van de klachtplicht toch wel zeer vaak geschonden – rechtsgevoel van schuldeisers.

Donata Lex, advocaat ondernemingsrecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?