Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Nederlandse staat aansprakelijk voor onjuiste implementatie Europese vakantiewetgeving

Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Ernst van Win

21 oktober 2013 - 2 minuten leestijd

ECLI:NL:GHDHA:2013:3792, Gerechtshof Den Haag, 15 oktober 2013

Mevrouw A heeft de Nederlandse staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het niet tijdig dan wel onjuist implementeren van (Europese) Arbeidstijdenrichtlijn (2003/88/EG).

Tot 1 januari 2012 bepaalde artikel 7:635 lid 4 BW dat een arbeidsongeschikte werknemer slechts aanspraak kon maken op vakantiedagen die waren opgebouwd gedurende de laatste zes maanden van arbeidsongeschiktheid. Deze wetsbepaling was in strijd met de Arbeidstijdenrichtlijn. Artikel 7 van deze Richtlijn schrijft namelijk voor dat een werknemer recht heeft op minimaal viermaal de arbeidsduur per week aan doorbetaalde vakantie.

In 2001 had het Hof van Justitie (HvJ EG) in het ‘BECTU-arrest’ (26 juni 2001, JAR 2001/158) reeds aangegeven dat aan dit recht geen voorwaarden mochten worden verbonden. In 2009 heeft het HvJ EG in het ‘Schultz-Hoff-arrest’ (20 januari 2009, JAR 2009/58) expliciet uitgelegd dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, toekomt aan alle medewerkers, ongeacht hun gezondheidstoestand. Naar aanleiding van dit laatste arrest heeft de Nederlandse staat artikel 7:635 lid 4 BW geschrapt.  

Nu mevrouw A bij het einde van haar dienstverband op grond van artikel 7:635 lid 4 BW alleen vakantiedagen uitbetaald had gekregen, welke zij gedurende de laatste zes maanden van haar arbeidsongeschiktheid had opgebouwd, stelt zij de staat aansprakelijk voor de door haar geleden schade.

De kantonrechter oordeelde dat de staat aansprakelijk is en de schade van mevrouw A dient te vergoeden, nu op basis van de ‘Francovich-jurisprudentie’ (HvJ EG, 05-03-1996, nr C-46/93, nr. C-48/93) sprake is van een gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. Het Hof komt tot eenzelfde oordeel, maar toetst hierbij niet aan de Europese norm van ‘gekwalificeerde schending’, maar aan de vereisten van een onrechtmatige daad. Het Hof verwijst hierbij naar een uitspraak van de Hoge Raad uit 1986 (LJN AC0867) waarin de Hoge Raad oordeelt dat bij een schending van  gemeenschapsrecht de onrechtmatigheid en de schuld van de staat in principe vast staat.

Het Hof zet hiermee niet alleen de deur open voor het indienen van schadeclaims als gevolg van artikel 7:635 lid 4 BW, maar geeft eveneens een veel eenvoudiger kader voor staatsaansprakelijkheid.

Saskia Cornelisse, advocaat arbeidsrecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?