Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Eén hamerslag was voldoende voor de eerste kamer. Zonder stemming is de Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen 2018 (WMCZ 2018) afgelopen dinsdag 21 mei 2019 aangenomen! Zoals toegelicht in ons blog van vorige week zal dit leiden tot ingrijpende veranderingen voor de medezeggenschap bij zorginstellingen. Het is nu wachten op de publicatie in het Staatsblad, waaruit zal volgen per wanneer de nieuwe wetgeving van kracht wordt.

De WMCZ 2018 kan ertoe leiden dat de medezeggenschapsstructuur moet worden aangepast. De reikwijdte van de wet wijzigt namelijk. Daarnaast zullen in ieder geval zullen alle bestuurders en cliëntenraden de medezeggenschapsregeling onder de loep moeten nemen en in lijn met de nieuwe wetgeving moeten aanpassen. Dat geldt ook voor een huishoudelijk reglement voor cliëntenraden én afspraken over faciliteiten.

Niet onbelangrijk zijn ook de wijzigingen in de formele rechten en plichten die de WMCZ 2018 neerlegt bij bestuurders en cliëntenraden. Doel van de wet is het invloedrijker en effectiever maken van medezeggenschap binnen zorginstellingen. Dat zou moeten lukken als wordt gekeken naar de formulering van de (aangepaste) formele rechten, zoals adviesrecht en instemmingsrecht voor cliëntenraden op diverse uiteenlopende onderwerpen.

De komende weken zullen wij dieper op deze onderwerpen ingaan en geven wij graag een aantal praktische tips. Blijf onze blogs volgen!

Renate Vink-Dijkstra, Advocaat Arbeid, Medezeggenschap, Pensioen

In de zorg wordt medezeggenschap uitgeoefend door ondernemingsraden én cliëntenraden. De cliëntenraad behartigt de belangen van cliënten en hun verwanten. De Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) biedt voor cliëntenraden mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de besluitvorming van zorginstellingen. Omdat van effectieve medezeggenschap in de praktijk niet altijd sprake is, heeft de regering het wetsvoorstel ‘Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018’ ingediend.

Doel van het wetsvoorstel

In de praktijk is gebleken dat de medezeggenschap in de zorg aan verbetering en professionalisering toe is. De (wettelijke) mogelijkheden die voor cliëntenraden bestaan om invloed uit te kunnen oefenen, worden niet altijd optimaal benut. Daardoor is de invloed van cliëntenraden te beperkt. dit is onwenselijk. Invloed kan bijdragen aan kwalitatief goede zorg én kan zorgen voor de nodige checks and balances voor goed bestuur in een zorginstelling. Doel van het wetsvoorstel is dan ook dat de positie van cliëntenraden wordt verstevigd. Tegelijkertijd is tegemoet gekomen aan de wens van instellingsbesturen en cliëntenorganisaties tot grotere ruimte voor maatwerk.

Status wetsvoorstel

Nadat het wetsvoorstel op 20 november 2018 al met een aantal wijzigingen door de Tweede Kamer is aangenomen, is de kogel door de kerk en zal het wetsvoorstel naar verwachting op 21 mei 2019 als hamerstuk door de Eerste Kamer worden aangenomen. Daarmee lijkt de nieuwe WMCZ 2018 een feit!

Inwerkingtreding

Wanneer de nieuwe wet in werking treedt is nog niet duidelijk. Deze datum zal worden vermeld in het staatsblad. Houd u er rekening mee dat de nieuwe wet mogelijk al op 1 januari 2020 in werking zal treden.

Wat wijzigt er?

In ons eerdere blog “Grotere invloed cliëntenraden in aantocht!” hebben wij de belangrijkste aspecten en wijzigingen van de nieuwe wet al voor u op een rijtje gezet. Concreet gaat het om de volgende zaken:

De komende tijd zullen wij u in onze blogs nader informeren over de concrete inhoud en reikwijdte van deze wijzigingen.

Ook zullen wij u in onze blogs informeren over de stappen die de cliëntenraden nog moeten zetten om op de ingangsdatum van deze nieuwe wet goed voorbereid te zijn. Houd onze website goed in de gaten!

Voor vragen over de nieuwe WMCZ kunt u natuurlijk ook altijd contact met mij opnemen.

Renate Vink-Dijkstra, advocaat Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Op 9 april jl. organiseerde ons WOR-team een rondetafelbijeenkomst met als gespreksonderwerp ‘goed bestuur, toezicht en medezeggenschap’. Tijdens deze druk bezochte bijeenkomst stond de rol van de ondernemingsraad bij goed bestuur en toezicht centraal.

Ernst van Win opende de bijeenkomst met een korte presentatie over de belangrijkste aspecten van goed bestuur en de rol van de OR. Vervolgens konden de leden van de verschillende ondernemingsraden van zeer diverse organisaties, van multinationals tot zorginstellingen, onder het genot van een heerlijke high-tea met elkaar over dit onderwerp ervaringen en praktische tips uitwisselen.

Dat dit een actueel onderwerp is, bleek wel uit de veelal levendige discussies die tot stand kwamen. Onder leiding van Renate Vink-Dijkstra zijn vervolgens plenair de bevindingen van de rondetafelgesprekken besproken.

Wij hebben voor u de belangrijkste tips op een rijtje gezet:

  1. Uitgangspunt voor goed bestuur is dat iedereen dezelfde kernwaarden hanteert en deze op basis van gelijkwaardigheid, met respect voor elkaars rollen, nastreeft.
  2. Onbekend maakt onbemind: het overleg tussen OR en toezichthouder is niet altijd vanzelfsprekend: neem als OR het initiatief om kennis te maken met de leden van de RvC/RvT, dat wordt vaak gewaardeerd en vergemakkelijkt het vervolgcontact.
  3. Naast de wettelijk vastgelegde overlegmomenten tussen OR en bestuurder inclusief toezichthouder is het informele overleg tussen OR en bestuurder en/of OR en toezichthouder minstens zo belangrijk.
  4. Als de OR zijn wettelijke rechten goed kent en strategisch gebruikt, kan zijn invloed als interne toezichthouder groter zijn dan die van de leden van de Rvc/RvT, zij kunnen elkaar ook op een goede manier versterken.
  5. Wanneer er voldoende onderling vertrouwen is en het overleg tussen OR en bestuurder en RvC/RvT goed verloopt, kunnen complexe trajecten soepel verlopen.
  6. Afspraken tussen OR en RvC/RvT over de wijze waarop medezeggenschap in de organisatie wordt uitgeoefend, dragen bij aan goed bestuur en toezicht!

Wij kijken terug op een leuke en waardevolle bijeenkomst!

Wilt u ook deelnemen aan een van onze kennisbijeenkomsten? Schrijf u dan in voor onze nieuwsbrief Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen en blijf op de hoogte van alle events!  https://Lnkd.in/eyDqt_p

Renate Vink-Dijkstra, Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Rechtbank Gelderland doet een soepele uitspraak

Volgens artikel 14 lid 2 Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wbr) geldt dat de overdrachtsbelasting 6% bedraagt. Is sprake van verkrijging van een woning geldt echter een tarief van 2% ingevolge lid 2 van dit artikel.

De term “woning” is niet nader gedefinieerd in de Wbr. De objectieve aard en inrichting van een gebouw geven de doorslag. Op 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:291) moest de Hoge Raad een oordeel vellen over de verkrijging van een gebouw met bestemming woonhuis, waarin een hospice was gevestigd dat geen medische zorg levert. In het pand bevonden zich tevens werkruimten, zoals het kantoor van de leiding, de berging, de werkkast en de voorraadkamer. De Hoge Raad oordeelde dat kenmerken van het pand geen andere slotsom toelieten dan dat het naar zijn aard is bestemd om dienst te doen als een verzorgingsinstelling en dus niet als woning in de zin van artikel 14, lid 2, Wbr. Daaraan deed niet af dat de benodigde zorg – in het kader van “scheiden van wonen en zorg”- niet was begrepen in de huurprijs die de bewoners moesten betalen.

Waar ligt nu precies de grens tussen zelfstandig wonen en het verblijf/wonen in een verzorgingshuis/verplegingshuis en hoe valt dit terug te zien in de objectieve aard van een gebouw? Iemand die zelfstandig woont met alle benodigde voorzieningen op loopafstand woont in een woning, ook als deze voorzieningen zich in hetzelfde gebouw bevinden, denk bijvoorbeeld aan flats met een winkelcentrum op de begane grond waar zich supermarkten, restaurants en beautysalons in bevinden. Wanneer deze persoon tevens thuiszorg afneemt, is nog steeds sprake van een woning. Er komt immers slechts een aantal keer per dag of week verzorgend personeel langs. Maar wat als deze thuiszorg ook gemakkelijk vanuit het pand verleend kan worden, omdat er een zorgpost aanwezig is? Maakt dit een complex tot een verplegings- of verzorgingsinstelling?

In een recente uitspraak van 14 maart 2019  moest Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2019:1092) oordelen over de verkrijging van een gebouw met zorgappartementen met aanhorigheden. Ieder appartement is afzonderlijk afsluitbaar, heeft een eigen deurbel en een eigen keuken en badkamer. De appartementen komen uit op een gemeenschappelijke ruimte. Op basis daarvan oordeelde de Rechtbank dat van de verkrijging van woningen sprake was. Daaraan deed volgens de Rechtbank geen afbreuk dat de appartementen behoren tot een complex waarvoor een toelating bestaat op basis van de Wet toelating zorginstellingen (Wtzi). Volgens de Rechtbank zou alleen tot een andersluidend oordeel kunnen worden gekomen als het zou gaan om meer “traditionele” verpleeghuizen. Daarin beschikken de bewoners juist niet over hun eigen woning en hebben zij geen “zeggenschap” over hun woonruimte.

Rechtbank Gelderland heeft hiermee een uitspraak gedaan die de praktijk erg goed uitkomt. Of de fiscus zich een goede verliezer toont valt echter nog te bezien; de beroepstermijn loopt nog.

J.R.B. Heemstra (notaris en partner bij De Clercq Advocaten Notariaat)

Afgelopen week is bekend geworden dat de Europese anti-rompslompbrigade – onder leiding van Frans Timmermans – aan de Europese commissie heeft geadviseerd om de aanbestedingsregels te evalueren voor zover het aanbestedingen in de zorg betreft.

In veel gevallen zijn gemeenten nu verplicht om zorgovereenkomsten aan te besteden. Nu de opdrachten vaak Europees aanbestedingsplichtig zijn, geldt dat ondernemers uit alle lidstaten gelijke kansen moeten krijgen en niet mogen worden gediscrimineerd. De minister van Volksgezondheid meent echter dat dit soms ongewenst is. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat een Poolse of Portugese onderneming de opdracht wint. Verder wordt als reden aangevoerd dat aanbesteden veel werk met zich brengt. Een niet ijzersterk argument nu dat voor alle sectoren geldt.

Wij volgen de Europese ontwikkelingen en houden u op de hoogte.

Menno de Wijs en Per van der Kooi,  advocaten aanbestedingsrecht

Het huidige artikel 18 WTZi (Wet toelating zorginstellingen) bepaalt dat het bestuur van een zorginstelling vastgoedtransacties moet melden. Is het bestuur voornemens gebouwen of terreinen, of delen daarvan, blijvend niet meer voor de instelling te gebruiken, dan moet het onverwijld mededeling doen aan het College sanering zorginstellingen (alleen voor umc’s geldt dit niet).

Het College beslist vervolgens of goedkeuring is benodigd. Bij de goedkeuring kan het bepalen dat bij verkoop een meeropbrengst ten opzichte van de boekwaarde wordt gestort in het Fonds langdurige zorg. Maar het College maakt van die mogelijkheid sinds 2000 geen gebruik meer.

Janbert Heemstra schreef een artikel over deze situatie dat is verschenen in de meest recente uitgave van het magazine Zorgvisie. Wilt u het hele artikel lezen? Klik dan hier.

Janbert Heemstra  is een breed opgeleide notaris. Hij heeft een bijzondere affiniteit met jonge ondernemers en startups, maar zet zijn expertise ook graag in als adviseur voor gevestigde bedrijven. Na zijn notariële opleiding aan de Rijksuniversiteit Groningen begon Janbert zijn loopbaan als kandidaat-notaris bij Houthoff Buruma. In 2004 voltooide hij cum laude de specialisatieopleiding Financiering & Zekerheden aan de Grotius Academie. Twee jaar later trad Janbert in dienst bij De Clercq. Sinds 2008 is hij notaris/partner. In 2009 volgde Janbert de MasterCourse Vastgoed Fiscaal aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Behalve notaris is Janbert sinds 2002 docent vastgoedrecht en btw / overdrachtbelasting bij Stichting Beroepsopleiding Notariaat.

Als notaris heeft hij zich gespecialiseerd in vastgoed. Dat betekent dat hij zich met name bezighoudt met de talrijke juridische aspecten van (vastgoed)transacties, projectontwikkeling, bouwcontracten, financiering en zekerheden. Daarnaast adviseert hij woningcorporaties.

In september 2018 verscheen een alarmerend bericht in het nieuws (zie www.nos.nl). Haperende ICT in de zorg zou leiden tot verkeerde medicatie en foute beslissingen.

Kamerleden hebben in reactie op dit bericht Kamervragen gesteld. Zo stelden zij de vraag wie de verantwoordelijkheid draagt voor het goed functioneren van ICT in zorgorganisaties. De minister antwoordde daar terecht op dat zorgaanbieders zelfstandige partijen zijn die dan ook zelf verantwoordelijk zijn voor informatievoorziening en bijbehorende ICT. Zorgaanbieders opgelet dus!

Waarom hapert ICT in de zorg nu zo vaak? Allereerst is “de zorg” groot en divers en spreken alle beroepsgroepen hun eigen taal. Niet alleen de taal, maar ook de technische standaarden moeten dan ook op elkaar worden afgestemd.

Ook het juridisch kader is complex. Zo moet rekening worden gehouden met de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), de AVG, de Wet cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens in de zorg,etc. Daarnaast zijn er verschillende beroepsnormen en zogenaamde NEN-normen van toepassing. In de praktijk blijkt de interpretatie van deze, elkaar deel overlappende, wetten en normen veel vragen op te leveren, vooral als het gaat om zogenaamde ketenregistraties.

Het belang van goed functionerende ICT, dat voldoet aan alle wet- en regelgeving, is uiteraard essentieel voor goed functioneren en zelfs voortbestaan van een zorginstelling. Het is daarom zaak om een goed Programma van Eisen op te stellen vóór de bouw of aanschaf van een ICT-systeem. Daarvoor is het noodzakelijk dat alle vereisten uit de relevante (sector)wet- en regelgeving in kaart worden gebracht en onverkort onderdeel uitmaken van dit Programma van Eisen.

De Clercq heeft een zorgteam met specialisten die u hierover kunnen adviseren. Neem contact op met Natascha van Duuren, partner IT, IE & privacy, voor meer informatie: n.vanduuren@declercq.com of 06-54983766. Wilt u op de hoogte blijven van juridische ontwikkelingen op het gebied van zorg? Meld u zich dan hier aan voor de nieuwsbrief Zorg + Recht!

Mag een patiënt een geluidsopname maken van zijn of haar gesprek met de arts? Dit is een veel gestelde vraag. In dit blog wordt kort ingegaan op het opnemen van gesprekken door patiënten.

Er zijn goede redenen een gesprek met een arts op te willen nemen. Zo onthouden patiënten vaak niet alle informatie uit een gesprek. Het is dan goed dit gesprek terug te luisteren, al dan niet met familie en/of andere zorgverleners. De vraag is: mag dit? Het antwoord is helder. Ja, een patiënt mag een gesprek met een arts opnemen. Een kanttekening daarbij is dat dit alleen is toegestaan voor privégebruik.

Het is niet toegestaan de geluidsopname openbaar te maken. Bijvoorbeeld via internet of social media. Hiervoor is wel toestemming van de arts nodig. Het openbaar maken van een opname zonder toestemming  van de arts, is een inbreuk op de privacy van de arts.

Indien een patiënt een geluidsopname wil maken tijdens een groepsconsult, gelden andere regels. Dan is het noodzakelijk toestemming te vragen van alle deelnemers. Weigert een deelnemer toestemming te geven, dan is het niet toegestaan geluidsopnamen te maken. Voor ouders van kinderen ouder dan 12 jaar geldt dat zij geluidsopnamen mogen maken, indien het kind ermee heeft ingestemd dat de ouder(s) aanwezig mag zijn tijdens het consult. Vanaf 12 jaar beslist een kind immers of een ouder aanwezig mag zijn tijdens een consult. Heeft hij of zij deze toestemming gegeven, dan mag de ouder een geluidsopname van het consult maken (zonder het kind hierover vooraf te informeren).

Hoe zit het nu met beeldopnamen? Mogen deze ook zonder toestemming van de arts worden gemaakt. Het antwoord is nee. Voor beeldopnamen gelden strengere regels. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat u de arts voorafgaand inlicht. Elk opzettelijk filmen of fotograferen in woningen of niet-publieke plaatsen is immers op grond van artikel 139f Wetboek van Strafrecht verboden, tenzij dit vooraf duidelijk is aangekondigd.

Tot zover het maken van geluids- of beeldopnamen door een patiënt. In een volgende blog zal worden ingegaan op het maken van geluids- of beeldopnamen door een arts.

De Clercq beschikt over een gespecialiseerd zorgteam dat maandelijks de nieuwsbrief Zorg + Recht uitbrengt. Wilt u op de hoogte blijven van alle ontwikkelingen in de zorg? Meld u zich dan aan voor de nieuwsbrief.

Wilt u meer weten over het maken van geluids- of beeldopnamen? Neem dan contact op met Natascha van Duuren, n.vanduuren@declercq.com of 06-54983766.

De zorg is altijd in beweging en dat geldt even hard voor de wetgeving waarin de zorg wordt geregeld.

Voor uw gemak hebben wij de 19 wetsontwerpen en -wijzigingsvoorstellen op een rijtje gezet die op dit moment aanhangig zijn. Dat varieert van de Wet abonnementstarief WMO 2015, via de Wet BIG, de Wet medische hulpmiddelen en de Zorgverzekeringswet tot de Jeugdwet. Per wetsvoorstel is aangegeven waar het precies over gaat en in welke fase van de procedure het zich bevindt.

Wilt u ook volledig up-to-date zijn? Laat dan hieronder uw gegevens achter en u ontvangt het overzicht direct in uw mailbox!

Voor nadere informatie over Zorg + Recht kunt u contact opnemen met Arjen van Rijn.

Ja, ik ontvang graag het overzicht Wetsvoorstellen Zorg

De Autoriteit Persoonsgegevens heeft kenbaar gemaakt dat zij bij verschillende zorginstellingen, waaronder bloedbanken en IVF-klinieken, het privacybeleid heeft opgevraagd. Het opstellen van een privacybeleid is niet voor alle organisaties verplicht. Wanneer bestaat deze wettelijke verplichting nu wél en waar moet een privacybeleid aan voldoen? In deze kennisblog wordt nader op deze vragen ingegaan.

Als u in de AVG zoekt naar de term “privacybeleid” zult u die niet tegenkomen. In de AVG wordt gesproken over “gegevensbeschermingsbeleid”. Het opstellen van een gegevensbeschermingsbeleid is op grond van artikel 24 lid 2 AVG verplicht “wanneer zulks in verhouding staat tot de verwerkersactiviteiten”. “Wanneer zulks in verhouding staat” is volgens de toelichting op de wet is dit afhankelijk van de aard, de omvang en het doel van de gegevensverwerking. Zorginstellingen zijn in beginsel verplicht een privacybeleid op te stellen.

Welke eisen worden nu aan een privacybeleid gesteld? De wet zelf bevat geen opsomming van eisen waaraan het privacybeleid moet voldoen. Uit artikel 24 lid 1 AVG valt af te leiden dat het privacybeleid moet kunnen aantonen dat u persoonsgegevens verwerkt conform de wet. Wat betekent dit nu concreet? Dit betekent dat u in het beleid in ieder geval de volgende informatie dient op te nemen:

Indien zorginstellingen geen privacybeleid hebben dat voldoet aan bovengenoemde eisen, dan overtreden zij de wet en riskeren zij een boete. Bent u verantwoordelijk voor privacy bij een zorginstellingen en heeft u nog geen privacybeleid dan wel heeft u vragen over de inhoud van het privacybeleid, neem dat contact op met Natascha van Duuren, partner IT, IE & privacy, n.vanduuren@declercq.com of 06-54983766. Wilt u op de hoogte worden gehouden van alle ontwikkelingen op het gebied van zorg? Meld u dan hier aan voor de De Clercq Zorg Nieuwsbrief.