Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

In deel I, II en III van onze Wmcz-reeks hebben wij toegelicht welke belangrijke wijzigingen de Wet medezeggenschap clienten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018) heeft. In dit deel staan wij stil bij de handhaving en het toezicht. Voldoende ‘checks and balances’, kritische medezeggenschap en inspraak van cliënten en hun belangenbehartigers zijn belangrijke voorwaarden voor goed bestuur. Een goed evenwicht tussen bestuur, toezicht en professionals is nodig om gezamenlijk de kwaliteit van de zorg te kunnen bewaken. De Wmcz 2018 biedt daarvoor goede mogelijkheden. Het is dan wel belangrijk dat ook voldoende handvatten bestaan om de naleving van deze wettelijke regeling te kunnen borgen. In dit blog zal worden toegelicht hoe dit is geregeld in de Wmcz 2018.

Intern toezicht

Ook zorginstellingen zijn verplicht te beschikken over een toezichthoudend orgaan. De Wmcz 2018 reguleert dat de cliëntenraad tenminste 1 persoon mag voordragen ter benoeming als lid van de Raad van Toezicht. Dit is belangrijk voor het goed functioneren van het toezichthoudend orgaan. De Raad van Toezicht is gebaat bij goed en regelmatig overleg met de cliëntenraad en daartoe zelfs verplicht op basis van de Governance Code Zorg. Een voordrachtslid kan daaraan bijdragen, zodat steeds rekening wordt gehouden met alle betrokken belangen: die van de client, de vertegenwoordigers, de medewerkers en anderen.

Extern toezicht en handhaving

Naast het interne toezichthoudend orgaan, houdt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht op de naleving van de wettelijke verplichtingen die volgen uit de WMCZ 2018. Dit betekent dat de IGJ toezicht houdt op de naleving van belangrijke randvoorwaarden als:

Als de IGJ constateert dat de WMCZ 2018 niet wordt nageleefd kan hij, afhankelijk van de ernst van de klacht en de geconstateerde gebreken, met de zorginstelling het gesprek aangaan en zo nodig handhavend optreden. Als handhavingsmiddel kan de IGJ gebruik maken van bijvoorbeeld een last onder bestuursdwang (het opleggen van verplichtingen) of een dwangsom (het opleggen van forse boetes).

De IGJ toetst daarmee de formele naleving van de WMCZ 2018. De IGJ toetst niet de effectiviteit van de medezeggenschap en/of inspraak. Ook zal de IGJ niet zelf actief op zoek gaan naar zorginstellingen die niet aan de gestelde wettelijke verplichtingen voldoen. De IGJ komt in actie als bij een regulier bezoek wordt geconstateerd dat de wet niet voldoende wordt nageleefd of klachten, dan wel meldingen ontvangt van cliënten of hun vertegenwoordigers die daartoe aanleiding geven.

Rechtsmiddelen

In de WMCZ 2018 zijn ook een aantal rechtsmiddelen opgenomen waarvan de cliëntenraad gebruik kan maken als hij meent dat niet voldoende aan de WMCZ 2018 wordt voldaan en/of de medezeggenschap niet op de juiste wijze zijn werk kan doen.

Allereerst kunnen geschillen die ontstaan bij toepassing van de WMCZ 2018 worden voorgelegd aan de Commissie van Vertrouwenslieden. Deze commissie heeft tot taak te bemiddelen tussen de zorginstelling en de cliëntenraad en zo nodig een uitspraak te doen. Tegen een dergelijke uitspraak kan beroep worden ingesteld bij de Ondernemingskamer. De ervaring leert dat aan een uitspraak of beslissing van de commissie al veel waarde wordt gehecht. Overigens kunnen ook de bemiddelingspogingen van deze commissie in de praktijk succesvol zijn.

Daarnaast wordt aan cliëntenraden het zogenaamde recht van enquête toegekend. Dit is een ultimum remedium waarvan de cliëntenraad alleen gebruik zou moeten maken als sprake is van gegronde redenen om aan het beleid en/of de gang van zaken van de zorginstelling te twijfelen. Dit is een omvangrijke procedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam die ertoe kan leiden dat er een ingrijpend intern onderzoek wordt uitgevoerd. Dergelijke onderzoeken komen vaak in de publiciteit en kunnen dan ook grote gevolgen hebben voor de zorginstelling. Dit is niet altijd in het belang van de zorginstelling. Daarom is terughoudendheid geboden bij dit rechtsmiddel.

Praktische tips:

Voor vragen over de WMCZ en andere vragen ten aanzien van de governance in de zorg kunt u natuurlijk ook altijd contact opnemen.

Renate Vink-Dijkstra, advocaat Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

In onze serie blogs over de nieuwe wetgeving voor cliëntenraden in de zorg hebben wij u al geïnformeerd over de reikwijdte en de medezeggenschapsregeling versus het huishoudelijk reglement. In dit blog staat de uitbreiding van de formele rechten centraal.

De formele rechten lijken meer in lijn te worden gebracht met de formele rechten van de ondernemingsraad. Zo wordt het verzwaard adviesrecht vervangen door een instemmingsrecht, zijn de voorwaarden om tijdig advies of instemming te vragen aangescherpt en wordt aan cliëntenraden een wettelijk recht van enquête toegekend. In dit blog zal dit worden toegelicht.

Uitgangspunten traject

Om ervoor te zorgen dat medezeggenschapstrajecten goed verlopen, gelden er een aantal uitgangspunten. Deze uitganspunten zijn niet nieuw, maar worden wel in de WMCZ opgenomen. De belangrijkste zijn:

Deze uitgangspunten gelden voor ieder advies- en/of instemmingstraject, ongeacht het onderwerp. Is sprake van een adviesplichtig of instemmingsplichtig onderwerp? Dan kan het volgende stappenplan worden gevolgd bij het doorlopen van het advies- of instemmingstraject:

  1. De bestuurder verstrekt een adviesaanvraag of instemmingsverzoek aan de cliëntenraad;
  2. De cliëntenraad kan informatie opvragen en vragen stellen;
  3. Er vindt overleg plaats tussen de bestuurder en de cliëntenraad over de adviesaanvraag of het instemmingsverzoek;
  4. De cliëntenraad verstrekt zijn advies of instemming aan de bestuurder;
  5. De bestuurder neemt een definitief besluit;

Als het definitieve besluit afwijkt van het advies van de cliëntenraad, moet de bestuurder motiveren waarom er wordt afgeweken en dit ook bespreken met de cliëntenraad.

In het navolgende wordt weergegeven voor welke (voorgenomen) besluiten een advies of de instemming van een cliëntenraad nodig is.

Adviesrecht cliëntenraad

In de huidige wetgeving wordt onderscheid gemaakt tussen het ‘gewone’ adviesrecht en het verzwaard adviesrecht. Dit onderscheid verdwijnt onder de WMCZ. Onder de WMCZ moeten voorgenomen besluiten ter advisering aan de cliëntenraad worden voorgelegd als deze betrekking hebben op:

Naast dit formele adviesrecht, blijft ook de mogelijkheid bestaan voor de cliëntenraad om ongevraagd advies te verstrekken aan de bestuurder over de genoemde onderwerpen. over de hierboven genoemde of andere voor cliënten belangrijke onderwerpen. De instelling zal in dat geval zo spoedig mogelijk besluiten of zij een ongevraagd advies al dan niet opvolgen.

Instemmingsrecht cliëntenraad

Om de medezeggenschap te versterken is in de WMCZ een instemmingsrecht voor de cliëntenraad geïntroduceerd. Instemming van de cliëntenraad is nodig bij de volgende onderwerpen:

Recht van enquête

Het enquêterecht geeft cliëntenraden de mogelijkheid een enquêteprocedure aanhangig te maken bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. Er wordt dan verzocht een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de zorginstelling in te laten stellen. Hiertoe zal de Ondernemingskamer overgaan als sprake is van gegronde redenen om aan het beleid en/of de gang van zaken te twijfelen. Dit is een zwaar middel. Het is opmerkelijk dat dit vergaande recht wel aan cliëntenraden wordt toegekend terwijl ondernemingsraden geen zelfstandig enquêterecht hebben.

Praktische tips

Voor vragen over de WMCZ kunt u natuurlijk ook altijd contact opnemen.

Renate Vink-Dijkstra, advocaat Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Het wetsvoorstel ‘Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018’ moet ervoor zorgen dat de positie van cliëntenraden wordt versterkt, zie ook ons eerdere blog “Effectieve medezeggenschap in de zorg: Positie van cliëntenraden wordt nu echt verstevigd?!”. In onze WMCZ-reeks bereiden wij u graag voor op de WMCZ, de gevolgen die deze wet met zich brengt en geven wij praktische tips. In deel I stond de reikwijdte centraal, in deel II is de medezeggenschapsregeling het middelpunt.

De medezeggenschapsregeling

In de praktijk is de medezeggenschapsregeling geen onbekende regeling. Veel bestuurders en cliëntenraden hebben op basis van de huidige wetgeving al een medezeggenschapsregeling gesloten, waarin onder andere de samenstelling en de werkwijze van de cliëntenraad worden gereguleerd. Onder de WMCZ worden een aantal nieuwe regelingen geïntroduceerd. Er lijkt onderscheid te ontstaan tussen:

  1. Het instellingsbesluit van het bestuur: het bestuur van de zorginstelling regelt hierin de wijze waarop de medezeggenschap wordt ingericht;
  2. De samenwerkingsovereenkomst: de werkafspraken tussen bestuur en cliëntenra(a)d(en) worden hierin opgenomen; en
  3. Het huishoudelijk reglement: de cliëntenraad beschrijft hierin de interne werkwijze.

Met de introductie van deze verschillende regelingen lijkt de medezeggenschapregeling feitelijk te worden opgesplitst in:

Dit vereist aanpassing van de huidige medezeggenschapsregelingen!

Wij verwachten dat de regelingen die in het huishoudelijk reglement thuis horen uit de huidige medezeggenschapsregelingen worden gehaald. Is dit voldoende? Nee!

Op grond van de WMCZ moet de medezeggenschapsregeling worden uitgebreid en ook regels bevatten ten aanzien van:

Ten aanzien van de uiteindelijke besluiten over deze laatste onderwerpen heeft de cliëntenraad zelfs een adviesrecht. In een volgend blog zullen wij dit adviesrecht nader toelichten.

Het huishoudelijk reglement

Naast de medezeggenschapsregeling komt dus een huishoudelijk regelement. De cliëntenraad moet zelf een huishoudelijk reglement opstellen, waarin zij haar interne zaken regelt. Denk daarbij aan onderwerpen als:

Faciliteiten

In de huidige medezeggenschapsregelingen zijn vaak al bepalingen en regels opgenomen over faciliteiten waarvan cliëntenraden gebruik kunnen maken. Onder huidig recht beperkt deze verplichting zich dit tot de materiële middelen van de instelling die aan de cliëntenraad ter beschikking kunnen worden gesteld.

De WMCZ biedt straks een ruimere wettelijke basis voor faciliteiten. Uitgangspunt is dat de cliëntenraad gebruik mag maken van de voorzieningen die zij voor de vervulling van de werkzaamheden redelijkerwijs nodig heeft. Het is verstandig dit te concretiseren en daarover afspraken te maken. Deze afspraken kunnen ook onderdeel uitmaken van de medezeggenschapsregeling.

Dat geldt ook ten aanzien van kosten die de cliëntenraad voor de vervulling van de werkzaamheden redelijkerwijs nodig heeft. Tot de kosten behoren onder meer kosten voor:

Daarnaast dient de instelling de kosten te vergoeden voor eventuele gerechtelijke procedures. Een belangrijke voorwaarde voor vergoeding van deze kosten is wel dat het bestuur hierover tijdig tevoren is geïnformeerd. In onderling overleg kunnen met de cliëntenraad afspraken worden gemaakt over een jaarbudget.

De wetgever heeft met deze uitbreiding de faciliteiten van de cliëntenraad meer op één lijn willen brengen met de faciliteiten die een ondernemingsraad op grond van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) ter beschikking (moeten) worden gesteld. Voor een nadere toelichting en een antwoord op de vraag of en in hoeverre een jaarbudget wenselijk is, wordt verwezen naar: “OR: Hoe zit het met faciliteiten en kosten?”.

Praktische tips

Alle medezeggenschapsregelingen zullen moeten worden aangepast aan de nieuwe wettelijke situatie. Dit vereist voorbereiding en inzicht in de huidige regelingen. Een aantal praktische tips:

Aan de hand van deze tips kunnen gezamenlijk afspraken worden gemaakt over de samenwerking tussen bestuurder en cliëntenraad!

Voor vragen over de WMCZ kunt u natuurlijk ook altijd contact opnemen.

Renate Vink-Dijkstra, advocaat Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

In ons eerdere blog “Effectieve medezeggenschap in de zorg: Positie van cliëntenraden wordt nu echt verstevigd?!” hebben wij toegelicht dat in het wetsvoorstel ‘Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018’ ervoor moet gaan zorgen dat de positie van cliëntenraden wordt versterkt. Alleen dan kan de cliëntenraad bijdragen aan kwalitatief goede zorg én de nodige checks and balances voor goed bestuur in een zorginstelling. Het wetsvoorstel is inmiddels aangenomen. Dat betekent dat het tijd is de nodige voorbereidingen te treffen. Daarbij helpen wij u graag!

De komende maanden zullen wij dieper ingaan op de concrete inhoud en reikwijdte van de WMCZ en geven wij u graag een aantal praktische tips. In dit blog staat allereerst de reikwijdte van de WMCZ centraal.

Reikwijdte = alle instellingen

Onder huidig recht zijn collectief gefinancierde zorgaanbieders verplicht een cliëntenraad in te stellen. Daarmee is de instellingsverplichting als het ware verbonden aan de wijze van bekostiging van de zorginstelling. Dit wordt door de WMCZ losgelaten. De WMCZ is van toepassing op alle instellingen, ongeacht de wijze van bekostiging. In plaats daarvan wordt aansluiting gezocht bij de definitie van ‘instelling’ in de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg. De WMCZ is van toepassing op:

Daarnaast is de WMCZ van toepassing op instellingen die eenvoudige vervoersmiddelen aanbieden dan wel geneesmiddelen, hulpmiddelen of dieetmiddelen leveren. De verwachting is echter dat voor dergelijke instellingen uitzonderingen zullen worden gemaakt. Dit is mogelijk via een zogenaamde “Algemene maatregel van bestuur”. Het is zelfs mogelijk dit soort instellingen volledig van de WMCZ uit te sluiten. Dit ligt ook in de lijn der verwachting, omdat de relatie tussen cliënt en instelling hier een wezenlijk andere is dan die bij verpleeghuizen of wijkverpleging.

Ook instellingen waarbij jeugdhulp wordt aangeboden en gecertificeerde instellingen die kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering uitvoeren die vergelijkbare hulp of zorg verlenen aan volwassenen zullen voortaan onder hetzelfde medezeggenschapsregime van de WMCZ vallen.

Verplichte inspraak

Als een zorginstelling onder de reikwijdte van de WMCZ valt en daar in de regel langer dan een half jaar cliënten (kunnen) verblijven, is de instelling verplicht een vorm van inspraak in te voeren ten aanzien van besluiten die direct van invloed zijn op het dagelijks leven van de cliënt. Dit is de basis van medezeggenschap binnen de zorginstelling. Naast deze inspraakmogelijkheid kan de zorginstelling ook verplicht zijn een cliëntenraad in te stellen.

Instellingsgrens cliëntenraad

Zorginstellingen waar in de regel door meer dan tien personen zorg wordt verleend, zijn verplicht een cliëntenraad in te stellen. Bij deze zorgaanbieders is de afstand tussen cliënt en bestuur vaak groot, zodat de belangen van cliënten niet altijd voldoende bij de besluitvorming door het bestuur worden betrokken. Een formeel medezeggenschapsorgaan kan deze taak op zich nemen.

In traditioneel kleine praktijken van bijvoorbeeld huisartsen, tandartsen, fysiotherapeuten en verloskundigen, zijn de lijnen vaak kort en wordt het regelen van de formele medezeggenschap niet noodzakelijk bevonden. Zij zijn dan ook niet verplicht een cliëntenraad in te stellen. Dit ontheft hen overigens niet van de verplichting zorg te dragen voor inspraakmogelijkheden.

Voor ambulante zorgaanbieders geldt een andere instellingsgrens. Als er bij een ambulante zorgaanbieder door meer dan 25 personen zorg wordt aangeboden, bestaat de verplichting een cliëntenraad in te stellen.

Instellingen waarbij zorg wordt verleend door in de regel 10 of minder personen kunnen vrijwillig een cliëntenraad instellen. Als daarvoor is gekozen, dan is de WMCZ integraal van toepassing.

Bij de beoordeling of een instelling verplicht is een cliëntenraad in te stellen, gaat het steeds over het aantal personen en dus niet om het aantal fte’s. Alle werkzame personen moeten volledig worden meegerekend, ongeacht de omvang van hun dienstverband en/of opdracht.

Meerdere cliëntenraden

Om goede medezeggenschap in de gehele organisatie mogelijk te maken, kunnen meerdere cliëntenraden ingesteld worden. Per instelling zal moeten worden gekeken of dit wenselijk en/of verplicht is.

Voor grotere instellingen is het instellen van meerdere cliëntenraden verplicht als:

Daarbij geldt wel als voorwaarde dat het instellen van meerdere cliëntenraden wenselijk moet zijn voor de verschillende locaties waar zorg wordt verleend, de verschillende vormen van zorg of de verschillende cliëntengroepen. Dit is bijvoorbeeld het geval als:

Voor instellingen die curatieve zorg verlenen, zoals ziekenhuiszorg en andere kortdurende zorg, kan in de praktijk vaak met één cliëntenraad worden volstaan. Deze instellingen kunnen zelf bekijken wat bij de organisatie past en of het wenselijk toch meerdere cliëntenraden in te stellen. Dit hoeft niet op grond van de WMCZ, maar is wel mogelijk. De WMCZ zorgt op deze wijze voor maatwerk.

Als de instelling meerdere locaties in stand houdt, moet voor elke locatie een cliëntenraad worden ingesteld. Dit hoeft niet, als:

Een centrale cliëntenraad

Als er meerdere cliëntenraden binnen een instelling zijn ingesteld, is het verstandig ook een centrale cliëntenraad in te stellen. De centrale cliëntenraad gaat dan over de overkoepelende onderwerpen; de onderwerpen die voor onderdelen van de instelling relevant zijn. Als er een centrale cliëntenraad wordt ingesteld, is het wel belangrijk dat er ook goede afspraken worden gemaakt over de verdeling van de bevoegdheden tussen de centrale en lokale cliëntenraden. Dit zorgt voor duidelijkheid en de juiste onderlinge verwachtingen.

Praktische tips

De WMCZ leidt ertoe dat meer zorginstellingen cliëntenraden moeten instellen of er binnen een zorginstelling meerdere cliëntenraden moeten worden ingesteld. Het is belangrijk te bekijken of de huidige medezeggenschapsstructuur in overeenstemming is met de verplichtingen van de WMCZ. Welke vragen zijn daarbij van belang?

Aan de hand van deze vragen kun je de medezeggenschapsstructuur wijzigen van de huidige wettelijke verplichtingen naar de toekomstige. Maar niet alleen dat, je kunt ook de medezeggenschapsstructuur op maat maken. En dat is een van de doelstellingen van de WMCZ!

In ons volgende blog zal de medezeggenschapsregeling centraal zijn. Voor vragen over de WMCZ kunt u natuurlijk ook altijd contact opnemen.

Renate Vink-Dijkstra, advocaat Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Minister Hugo de Jonge van VWS heeft de afgelopen maanden herhaaldelijk zijn visie gegeven op aanbesteding in de zorg. Wat hem betreft komt er een einde aan de Europese aanbestedingsplicht tot aanbesteden in de Wmo en daarmee een einde aan de doorgeschoten marktwerking. Die visie is overigens niet nieuw en kwam ook vorig jaar al aan de orde in een brief aan de Tweede Kamer (klik). Herhaaldelijk komt in deze discussie de zogenaamde ‘open house’ constructie aan bod, maar wat is dat precies?

Open house is niet een soort aanbestedingsprocedure. Het is een methode. De aanbestedende dienst contracteert simpelweg met alle partijen die zich aanmelden en die voldoen aan de gestelde criteria, zoals kwaliteits- en prijsvoorwaarden. Het is vervolgens aan de zorgbehoevende inwoner om de partij uit te kiezen die de benodigde zorg daadwerkelijk mag leveren. Aangezien de inwoner van een gemeente zelf zijn zorgverlener mag uitkiezen is de algemene lijn dat deze methode de kwaliteit en marktwerking ten goede komt. Voldoet een zorgverlener niet aan de verwachting, blijft de service achter, of levert een concurrent een hogere kwaliteit zorg, dan zal de inwoner immers eenvoudigweg kunnen overstappen.

Het nadeel van open house laat zich eenvoudig raden. Aangezien iedereen zich mag aanmelden ontstaan – met name bij grotere gemeenten – soms stapels van honderden contracten met zorgverleners. Het contractmanagement kan dus intensief zijn. Daarnaast ervaart de markt als nadeel dat de omzet op basis van de gegunde overeenkomst onzeker is.

Aanbestedingsplicht

Is gunning van een overeenkomst op basis van de open house systematiek dan nooit aanbestedingsplichtig? Ook de gunning van een overeenkomst via de open house methode kan aanbestedingsplichtig zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de gemeente toch de zorgaanbieder kiest of als zij die keuze wezenlijk beïnvloedt. Overigens zal in alle gevallen de aanbestedende dienst de toelatingsprocedure tot het open house systeem bekend moeten maken, minimaal op haar website of via een (aanbestedings)platform (zie de arresten Falk Pharma en Tirkkonen).

Menno de Wijs, advocaat

Eén hamerslag was voldoende voor de eerste kamer. Zonder stemming is de Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen 2018 (WMCZ 2018) afgelopen dinsdag 21 mei 2019 aangenomen! Zoals toegelicht in ons blog van vorige week zal dit leiden tot ingrijpende veranderingen voor de medezeggenschap bij zorginstellingen. Het is nu wachten op de publicatie in het Staatsblad, waaruit zal volgen per wanneer de nieuwe wetgeving van kracht wordt.

De WMCZ 2018 kan ertoe leiden dat de medezeggenschapsstructuur moet worden aangepast. De reikwijdte van de wet wijzigt namelijk. Daarnaast zullen in ieder geval zullen alle bestuurders en cliëntenraden de medezeggenschapsregeling onder de loep moeten nemen en in lijn met de nieuwe wetgeving moeten aanpassen. Dat geldt ook voor een huishoudelijk reglement voor cliëntenraden én afspraken over faciliteiten.

Niet onbelangrijk zijn ook de wijzigingen in de formele rechten en plichten die de WMCZ 2018 neerlegt bij bestuurders en cliëntenraden. Doel van de wet is het invloedrijker en effectiever maken van medezeggenschap binnen zorginstellingen. Dat zou moeten lukken als wordt gekeken naar de formulering van de (aangepaste) formele rechten, zoals adviesrecht en instemmingsrecht voor cliëntenraden op diverse uiteenlopende onderwerpen.

De komende weken zullen wij dieper op deze onderwerpen ingaan en geven wij graag een aantal praktische tips. Blijf onze blogs volgen!

Renate Vink-Dijkstra, Advocaat Arbeid, Medezeggenschap, Pensioen

Als projectontwikkelaar heeft u een mooi plan gereed voor de realisatie van een nieuw energieneutraal woon-zorgcomplex voor senioren. U bent al in gesprek met de gemeente. Een deel van de voor realisatie benodigde grond is reeds verworven; het andere deel is in handen van de gemeente. Het plan lijkt goed te passen in het gemeentelijk seniorenbeleid. Het bestemmingsplan moet nog worden aangepast. Een gerenommeerde belegger is serieus geïnteresseerd en wil met u in gesprek.  U bent daartoe bereid, maar u wilt wel een en ander vastleggen. Hieronder enkele tips.

Tip 1: Leg intenties en doelstellingen vast

In deze fase is het verstandig om de intenties en doelstellingen rondom een project in te kaderen en vast te leggen in een vrijblijvende intentieovereenkomst. Op die wijze kunt u – al of niet exclusief – met de belegger en overige betrokkenen in overleg treden om de diverse aspecten zoals de grondpositie, de financiering, het ruimtelijk kader en de bouwplannen te onderzoeken. Vervolgens kunt u besluiten tot het al of niet verder ontwikkelen van het project en komen tot een ontwikkelings- en daarop volgende realisatieovereenkomst.

Tip 2: Neem een exit-regeling op

Er zijn in de intentiefase doorgaans nog veel aspecten onzeker die realisatie van het project in de weg kunnen staan. Dan rijst de vraag of en tot welk moment u nog van elkaar afkunt. Kan dat zomaar? In beginsel staat het een partij vrij om onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het bij de ander gewekte vertrouwen in het tot stand komen van het project onaanvaardbaar is en er zelfs sprake kan zijn van schadeplicht.

Verliest u daarbij niet uit het oog dat naast de intentieovereenkomst ook uit notulen of correspondentie kan worden afgeleid wat partijen hebben beoogd. Voorkom dus harde, afdwingbare verplichtingen, die u kunnen beletten om vrijblijvend uit te stappen zonder gehouden te zijn tot enige schadevergoeding.

Tip 3: Toch harde verplichting? Dan onder opschortende voorwaarde

Indien juist wel (harde) verplichtingen in de intentieovereenkomst moeten worden opgenomen, dan is het soms aan te bevelen dat deze worden geformuleerd als opschortende voorwaarden. Het kan bijvoorbeeld gaan om een financiering, het verkrijgen van grondposities of noodzakelijke vergunningen of toestemmingen benodigd voor de realisatie van het project. Het voordeel van opschortende voorwaarden is dat ze pas bindend zijn zodra de betreffende voorwaarde is vervuld, bijvoorbeeld een onherroepelijke omgevingsvergunning.

Tip 4: Sluit schadevergoedingsplicht zoveel mogelijk uit

Het is verstandig om af te spreken dat het afbreken van onderhandelingen niet leidt tot enige schadevergoedingsplicht.

Tegen het einde van de duur van de intentieovereenkomst zult u met de gemeente moeten beslissen of het project al of niet verder zal worden ontwikkeld. Maar wilt u ervan af, dan moet dat kunnen en graag zonder vervelende financiële gevolgen!

Een goede intentieovereenkomst is maatwerk.

In de zorg wordt medezeggenschap uitgeoefend door ondernemingsraden én cliëntenraden. De cliëntenraad behartigt de belangen van cliënten en hun verwanten. De Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) biedt voor cliëntenraden mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de besluitvorming van zorginstellingen. Omdat van effectieve medezeggenschap in de praktijk niet altijd sprake is, heeft de regering het wetsvoorstel ‘Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018’ ingediend.

Doel van het wetsvoorstel

In de praktijk is gebleken dat de medezeggenschap in de zorg aan verbetering en professionalisering toe is. De (wettelijke) mogelijkheden die voor cliëntenraden bestaan om invloed uit te kunnen oefenen, worden niet altijd optimaal benut. Daardoor is de invloed van cliëntenraden te beperkt. dit is onwenselijk. Invloed kan bijdragen aan kwalitatief goede zorg én kan zorgen voor de nodige checks and balances voor goed bestuur in een zorginstelling. Doel van het wetsvoorstel is dan ook dat de positie van cliëntenraden wordt verstevigd. Tegelijkertijd is tegemoet gekomen aan de wens van instellingsbesturen en cliëntenorganisaties tot grotere ruimte voor maatwerk.

Status wetsvoorstel

Nadat het wetsvoorstel op 20 november 2018 al met een aantal wijzigingen door de Tweede Kamer is aangenomen, is de kogel door de kerk en zal het wetsvoorstel naar verwachting op 21 mei 2019 als hamerstuk door de Eerste Kamer worden aangenomen. Daarmee lijkt de nieuwe WMCZ 2018 een feit!

Inwerkingtreding

Wanneer de nieuwe wet in werking treedt is nog niet duidelijk. Deze datum zal worden vermeld in het staatsblad. Houd u er rekening mee dat de nieuwe wet mogelijk al op 1 januari 2020 in werking zal treden.

Wat wijzigt er?

In ons eerdere blog “Grotere invloed cliëntenraden in aantocht!” hebben wij de belangrijkste aspecten en wijzigingen van de nieuwe wet al voor u op een rijtje gezet. Concreet gaat het om de volgende zaken:

De komende tijd zullen wij u in onze blogs nader informeren over de concrete inhoud en reikwijdte van deze wijzigingen.

Ook zullen wij u in onze blogs informeren over de stappen die de cliëntenraden nog moeten zetten om op de ingangsdatum van deze nieuwe wet goed voorbereid te zijn. Houd onze website goed in de gaten!

Voor vragen over de nieuwe WMCZ kunt u natuurlijk ook altijd contact met mij opnemen.

Renate Vink-Dijkstra, advocaat Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Op 9 april jl. organiseerde ons WOR-team een rondetafelbijeenkomst met als gespreksonderwerp ‘goed bestuur, toezicht en medezeggenschap’. Tijdens deze druk bezochte bijeenkomst stond de rol van de ondernemingsraad bij goed bestuur en toezicht centraal.

Ernst van Win opende de bijeenkomst met een korte presentatie over de belangrijkste aspecten van goed bestuur en de rol van de OR. Vervolgens konden de leden van de verschillende ondernemingsraden van zeer diverse organisaties, van multinationals tot zorginstellingen, onder het genot van een heerlijke high-tea met elkaar over dit onderwerp ervaringen en praktische tips uitwisselen.

Dat dit een actueel onderwerp is, bleek wel uit de veelal levendige discussies die tot stand kwamen. Onder leiding van Renate Vink-Dijkstra zijn vervolgens plenair de bevindingen van de rondetafelgesprekken besproken.

Wij hebben voor u de belangrijkste tips op een rijtje gezet:

  1. Uitgangspunt voor goed bestuur is dat iedereen dezelfde kernwaarden hanteert en deze op basis van gelijkwaardigheid, met respect voor elkaars rollen, nastreeft.
  2. Onbekend maakt onbemind: het overleg tussen OR en toezichthouder is niet altijd vanzelfsprekend: neem als OR het initiatief om kennis te maken met de leden van de RvC/RvT, dat wordt vaak gewaardeerd en vergemakkelijkt het vervolgcontact.
  3. Naast de wettelijk vastgelegde overlegmomenten tussen OR en bestuurder inclusief toezichthouder is het informele overleg tussen OR en bestuurder en/of OR en toezichthouder minstens zo belangrijk.
  4. Als de OR zijn wettelijke rechten goed kent en strategisch gebruikt, kan zijn invloed als interne toezichthouder groter zijn dan die van de leden van de Rvc/RvT, zij kunnen elkaar ook op een goede manier versterken.
  5. Wanneer er voldoende onderling vertrouwen is en het overleg tussen OR en bestuurder en RvC/RvT goed verloopt, kunnen complexe trajecten soepel verlopen.
  6. Afspraken tussen OR en RvC/RvT over de wijze waarop medezeggenschap in de organisatie wordt uitgeoefend, dragen bij aan goed bestuur en toezicht!

Wij kijken terug op een leuke en waardevolle bijeenkomst!

Wilt u ook deelnemen aan een van onze kennisbijeenkomsten? Schrijf u dan in voor onze nieuwsbrief Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen en blijf op de hoogte van alle events!  https://Lnkd.in/eyDqt_p

Renate Vink-Dijkstra, Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Rechtbank Gelderland doet een soepele uitspraak

Volgens artikel 14 lid 2 Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wbr) geldt dat de overdrachtsbelasting 6% bedraagt. Is sprake van verkrijging van een woning geldt echter een tarief van 2% ingevolge lid 2 van dit artikel.

De term “woning” is niet nader gedefinieerd in de Wbr. De objectieve aard en inrichting van een gebouw geven de doorslag. Op 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:291) moest de Hoge Raad een oordeel vellen over de verkrijging van een gebouw met bestemming woonhuis, waarin een hospice was gevestigd dat geen medische zorg levert. In het pand bevonden zich tevens werkruimten, zoals het kantoor van de leiding, de berging, de werkkast en de voorraadkamer. De Hoge Raad oordeelde dat kenmerken van het pand geen andere slotsom toelieten dan dat het naar zijn aard is bestemd om dienst te doen als een verzorgingsinstelling en dus niet als woning in de zin van artikel 14, lid 2, Wbr. Daaraan deed niet af dat de benodigde zorg – in het kader van “scheiden van wonen en zorg”- niet was begrepen in de huurprijs die de bewoners moesten betalen.

Waar ligt nu precies de grens tussen zelfstandig wonen en het verblijf/wonen in een verzorgingshuis/verplegingshuis en hoe valt dit terug te zien in de objectieve aard van een gebouw? Iemand die zelfstandig woont met alle benodigde voorzieningen op loopafstand woont in een woning, ook als deze voorzieningen zich in hetzelfde gebouw bevinden, denk bijvoorbeeld aan flats met een winkelcentrum op de begane grond waar zich supermarkten, restaurants en beautysalons in bevinden. Wanneer deze persoon tevens thuiszorg afneemt, is nog steeds sprake van een woning. Er komt immers slechts een aantal keer per dag of week verzorgend personeel langs. Maar wat als deze thuiszorg ook gemakkelijk vanuit het pand verleend kan worden, omdat er een zorgpost aanwezig is? Maakt dit een complex tot een verplegings- of verzorgingsinstelling?

In een recente uitspraak van 14 maart 2019  moest Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2019:1092) oordelen over de verkrijging van een gebouw met zorgappartementen met aanhorigheden. Ieder appartement is afzonderlijk afsluitbaar, heeft een eigen deurbel en een eigen keuken en badkamer. De appartementen komen uit op een gemeenschappelijke ruimte. Op basis daarvan oordeelde de Rechtbank dat van de verkrijging van woningen sprake was. Daaraan deed volgens de Rechtbank geen afbreuk dat de appartementen behoren tot een complex waarvoor een toelating bestaat op basis van de Wet toelating zorginstellingen (Wtzi). Volgens de Rechtbank zou alleen tot een andersluidend oordeel kunnen worden gekomen als het zou gaan om meer “traditionele” verpleeghuizen. Daarin beschikken de bewoners juist niet over hun eigen woning en hebben zij geen “zeggenschap” over hun woonruimte.

Rechtbank Gelderland heeft hiermee een uitspraak gedaan die de praktijk erg goed uitkomt. Of de fiscus zich een goede verliezer toont valt echter nog te bezien; de beroepstermijn loopt nog.

J.R.B. Heemstra (notaris en partner bij De Clercq Advocaten Notariaat)