Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

15 maart jl. heeft de Nederlandse overheid aanvullende maatregelen aangekondigd in haar strijd tegen COVID-19. Zo zijn vanaf 16 maart scholen en kinderdagverblijven dicht tot en met maandag 6 april a.s. Hetzelfde geldt voor alle eet- en drinkgelegenheden, sport- en fitnessclubs, sauna’s, sexclubs en coffeeshops. Gezien de impact van het coronavirus is het onwaarschijnlijk dat er franchisegevers of -nemers in Nederland te vinden zijn die niet op enigerlei wijze worden geraakt in hun bedrijfsvoering. Maar hoe zit het nu precies als je niet aan je contractuele verplichtingen kan voldoen juist door dat coronavirus?

Voor het live-blog van het franchisevakblad Franchise+ heeft Jan-Willem Kolenbrander een artikel geschreven hierover. Daarin licht hij toe onder andere toe wanneer een beroep kan worden gedaan op ‘overmacht’, wanneer niet aan verplichtingen kan worden voldaan. Lees het artikel hier, of neem direct contact op voor informatie of advies!

Na zijn rechtenstudie aan de Universiteit Leiden (afstudeerrichting Civiel recht) werkte Jan-Willem enkele jaren bij de grootste rechtsbijstandsverzekeraar van Nederland. Daar werd zijn interesse voor commerciële samenwerkingsverbanden – zoals agentuur en franchise – aangewakkerd. Na zijn overstap in 2008 naar de advocatuur richt Jan-Willem zich volledig op franchise en franchise-gerelateerde kwesties. Sinds 2012 werkt hij bij De Clercq als gespecialiseerd franchiseadvocaat. Verder ondersteunt Jan-Willem met zijn kennis en ervaring van litigation andere teams binnen kantoor, zoals het arbeidsrechtteam en het IT, IE en privacy team.

 


Blogserie ‘De juridische gevolgen van het coronavirus’

Wilt u meer informatie over de juridische gevolgen van het coronavirus? Onze specialisten volgen de ontwikkelingen op de voet en houden u via kennisblogs steeds op de hoogte. Alle relevante informatie op het gebied van Arbeidsrecht, Medezeggenschapsrecht, Ondernemingsrecht en IT, IE & Privacy leest u in onze uitgebreide blogserie ‘De juridische gevolgen van het coronavirus’. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt deze uiteraard steeds direct aangevuld. Voor een overzicht van alle blogs in deze blogserie, klik hier.

Juridische Corona Helpdesk

De gevolgen van het Coronavirus (COVID-19) zijn immens. De maatschappelijke impact is nog niet te overzien. Wat betekent dat voor uw onderneming of organisatie? Met het oog op al uw vragen en vanuit een integrale aanpak vanuit al onze teams opent De Clercq een Juridische Corona Helpdesk. Onze specialisten zijn per direct 24/7 bereikbaar voor al uw vragen. Chat live of ontvang een kort advies per mail. Meer info? Klik hier!

Een ondernemer mag niet zomaar slaafs producten kopiëren van een franchisegever om aan te haken bij het succes van die producten. Als daardoor verwarring ontstaat bij de consument kan er sprake zijn van een onrechtmatige daad. De franchisegever kan de rechter dan vragen om een verbod op te leggen aan de concurrent om de producten nog langer op de markt te brengen. Zoals bijvoorbeeld de frikandelburgers waar het in deze blog over gaat.

Indien een franchiseformule specifieke producten aanbiedt, die enkel te verkrijgen zijn bij de betreffende franchisenemers, dan is dat doorgaans een interessante unique selling point voor die formule. Wil de klant immers die specifieke producten hebben dan zal hij zich bij een franchisenemer moeten melden. Resultaat: klant blij (want heeft product), franchisenemer blij (want krijgt omzet) en franchisegever blij (want franchisenemer en klant zijn blij). Concurrenten die willen aanhaken op het succes van dergelijke specifieke producten kunnen er natuurlijk voor kiezen om deze producten één op één te kopiëren. Er kan dan sprake zijn van ‘slaafs kopiëren’. En dat kan onrechtmatig zijn jegens de franchisegever die het product oorspronkelijk heeft bedacht.

In een recent kwestie bij de Rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2020:1706 – klik hier voor het volledige vonnis) sprak een franchisegever (Burger King) een snackproducent (Pure Ingredients) aan, omdat Burger King van mening was dat Pure Ingredients haar frikandelburger had gekopieerd. Burger King brengt immers sinds september 2019 een bepaalde snack op de markt genaamd de ‘FreaKINGdel Burger. Dat betreft een vierkante vleessnack met drie rondingen aan de bovenkant die suggereren dat er drie frikandellen aan elkaar ‘geplakt’ zijn. De productnaam ‘FreaKINGdel’ verwijst uiteraard ook specifiek naar ‘frikandel’. Het product wordt in de restaurants van Burger King geserveerd op een hamburgerbroodje met ui en saus.

Figuur 1: FreaKINGdel Burger (© Burger King)

Sinds januari 2020 brengt snackproducent Pure Ingredients echter een snack op de markt onder de naam ‘Frikandel Burger’ die qua vorm gelijk is aan de FreaKINGdel Burger. Het product wordt door Pure Ingredients in grootverpakking verkocht aan groothandels.

Figuur 2: Frikandel Burger (© Pure Ingredients)

Burger King was van mening dat Pure Ingredients door deze Frikandel Burger op de markt te brengen onrechtmatig aan het handelen was.  Aldus Burger King had haar FreaKINGdel Burger een ‘eigen gezicht’ op de relevante markt en onderscheidde deze burger zich in haar uiterlijke verschijningsvorm van andere (gelijksoortige) producten op de relevante markt. Sinds september 2019 was Burger King de eerste (en enige) die van de frikandel een vierkante burger had gemaakt, waarbij tevens het ‘bekende karakter’ van de frikandel te herkennen was. De Frikandel Burger was volgens Burger King een één op één kopie van haar FreaKINGdel en daarmee een slaafse nabootsing. Daardoor zou bij consumenten verwarring kunnen ontstaan. Burger King vroeg de rechter in kort geding dan ook om Pure Ingredients te verbieden nog langer Frikandel Burgers te verhandelen.

Van verwarring vanwege slaafse nabootsing kan slechts sprake zijn als het betreffende product een ‘eigen gezicht’ heeft op de relevante markt. Dat betekent dat het product zich in verschijningsvorm onderscheidt van andere (soortgelijke) producten. De rechter is echter van oordeel dat de FreaKINGdel Burger geen ‘eigen gezicht’ heeft wat het onderscheidt van andere producten op de relevante markt. De vierkante vorm komt immers bij meer snacks voor en de drie rondingen geven deze burger ook geen ‘eigen gezicht’. Dat komt volgens de rechter omdat de FreaKINGdel Burger feitelijk de vormgeving volgt van de traditionele frikandel. De FreaKINGdel Burger onderscheidt zich volgens de rechter dan ook niet van een frikandel die door een consument in de lengterichting is gesneden en vervolgens op een broodje is gelegd. De rechter wijst dan ook het verzoek van Burger King om een verbod op te leggen af.

Nabeschouwing en tips

Burger King beschikt voor haar FreaKINGdel Burger blijkbaar niet over een modelrecht. Zij heeft er voorts voor gekozen ook geen beroep te doen op het auteursrecht. Burger King heeft aldus geen rechten van intellectuele eigendom (‘IE’) aan haar vorderingen ten grondslag gelegd. Hierdoor was Burger King aangewezen op het algemene leerstuk van de onrechtmatige daad, waartoe het leerstuk van ‘slaafse nabootsing’ behoort.

Burger King had voorafgaand aan de procedure alsnog een modelrecht kunnen verwerven, aangezien het product immers nog geen jaar op de markt was en het vestigen van een modelrecht gedurende deze periode alsnog mogelijk is. Een andere optie voor Burger King was wellicht geweest om een beroep te doen op het ‘niet-geregistreerde EU-modelrecht’. Dit betreft de mogelijkheid om een beroep te doen op het modellenrecht, ook al beschikt men feitelijk niet over een (geregistreerd) modelrecht. Dit kan slechts gedurende een periode van drie jaar vanaf de introductie van het product op de markt, maar was voor deze kwestie dus mogelijk geweest. Gezien de aard van (de vormgeving van) het product is het overigens twijfelachtig of een dergelijk beroep op een modelrecht stand had gehouden.

Door het achterwege laten van een beroep op het auteursrecht en/of het modellenrecht erkent Burger King min of meer dat er geen sprake is van een ‘eigen karakter’ (een vereiste voor het ontstaan van een modelrecht). Alhoewel niet onmogelijk, wordt het hiermee ook wel erg lastig om aan te tonen dat de freaKINGdel Burger wel een ‘eigen gezicht’ in de markt heeft als bedoeld in het leerstuk van slaafse nabootsing. Rechters zijn bij het ontbreken van een beroep op IE-rechten niet snel genegen mee te gaan in een beroep op slaafse nabootsing. Dat laat deze kwestie maar weer eens duidelijk zien.

Wat is de les die hieruit kan worden getrokken? Wil je als franchisegever na-apen van jouw product voorkomen? Denk dan goed na over het al dan niet beschermen van jouw product als modelrecht. Zeker voor franchisegevers kan dit zeer belangrijk zijn, te meer waar het formules betreft waarbij de vormgeving van de producten een belangrijk onderdeel van de formule vormt. Ook goed om te weten in dat kader: Tijdens het registratieproces voor een modelrecht vindt geen inhoudelijke toetsing plaats, waardoor het modelrecht sowieso zal worden verkregen. Het is dan aan een derde om eventueel op een later moment de geldigheid van dit modelrecht aan te vechten, bijvoorbeeld in een procedure. Hierdoor sta je in een eventuele procedure dan al snel “met 1-0 voor”, of kan een procedure wellicht zelfs worden voorkomen.

Teun Pouw, advocaat IT/-IE-recht en erkend merkengemachtigde

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

 

In een ideale franchise relatie werken partijen samen op basis van een schriftelijke franchiseovereenkomst waarin de gemaakte afspraken helder en duidelijk zijn vastgelegd en die door beide partijen voor akkoord is ondertekend. In de praktijk wil echter nog wel eens blijken dat partijen feitelijk al samenwerken voordat de franchiseovereenkomst is ondertekend. Soms wordt er zelfs geen enkele overeenkomst ondertekend en worden alleen concepten gewisseld. Kan er zonder een door beide partijen getekende franchiseovereenkomst echter sprake zijn van een rechtsgeldige franchise relatie?

Deze vraag kwam recent aan bod bij de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2020:1139 – klik hier voor het volledige vonnis). In die kwestie was sprake van twee aandeelhouders van een kiprestaurant die op enig moment hadden besloten om met elkaar door te gaan als franchisegever en franchisenemer op basis van een franchiseovereenkomst. Een concept franchiseovereenkomst werd ook gewisseld, maar tot een daadwerkelijke ondertekening van het stuk kwam het niet.

Op een zeker ogenblik ontstond er een discussie tussen de franchisegever en de franchisenemer over onder meer de juistheid van de omzetgegevens die de franchisenemer maandelijks verstuurde. En – u raadt het misschien al – werd ineens de vraag actueel of er wel sprake is van een rechtsgeldige franchiseovereenkomst. Tot ondertekening van het concept waren partijen immers nooit overgegaan. Ook bemerkte de franchisenemer ineens dat er allerlei zaken in het concept van de franchiseovereenkomst stonden die hem niet of weinig bevielen en in zijn visie aangepast dienden te worden. De franchisegever wilde dat echter niet doen.

Als de zaak uiteindelijk wordt voorgelegd aan de rechtbank moet er beoordeeld worden of er een franchise relatie tot stand is gekomen op basis van de concept overeenkomst.  De franchisegever meende dat er een overeenkomst tot stand was gekomen, maar de franchisenemer stelde zich op het standpunt dat er over allerlei voorwaarden en condities, waaronder enkele kernbedingen, geen overeenstemming zou zijn bereikt.

De rechtbank stelt enerzijds vast dat partijen weliswaar nog geen volledige overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de franchiseovereenkomst, maar anderzijds ook dat de franchisenemer in de praktijk ‘onder de vlag’ van de franchisegever een kiprestaurant heeft geëxploiteerd. Er is inderdaad geen sprake van een ondertekende franchiseovereenkomst, maar de franchisenemer is zijn activiteiten wel gestart als ware er een getekende franchiseovereenkomst. De franchisenemer heeft geen hard voorbehoud gemaakt alvorens samen te gaan werken of eerder de stelling ingenomen dat er van een franchiserelatie geen sprake zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden van het geval blijkt dat de franchisegever en de franchisenemer zich feitelijk hebben gedragen alsof er sprake was van een franchiserelatie. Op hoofdlijnen was er dus al overeenstemming. In tegenstelling tot wat de franchisenemer meent, is er dus wel degelijk sprake van een franchiserelatie zij het op basis van een mondelinge franchiseovereenkomst.

Er zijn meerdere lessen die uit deze zaak getrokken kunnen worden. Allereerst dat een vertrouwensbasis enorm belangrijk is bij het aangaan van een franchise relatie. Kennelijk ‘rommelde’ het al toen de partijen samenwerkten als aandeelhouders en dan is het de vraag of het verstandig is om na de beëindiging van die samenwerking een franchise relatie aan te gaan waarbij vertrouwen op en in elkaar een wezenlijk element is.

Het verdient uiteraard de voorkeur om samen te werken op basis van een getekende franchiseovereenkomst om discussies over de inhoud van de gemaakte afspraken zoveel mogelijk te minimaliseren. Franchisegevers doen er dan ook verstandig aan om een franchiseovereenkomst te laten ondertekenen door de franchisenemer vóórdat de exploitatie wordt aangevangen. Een franchise samenwerking kan al complex genoeg zijn zonder onnodige discussies tussen partijen over welke afspraken nu wel of niet van toepassing zijn op die samenwerking.

Franchisenemers doen er op hun beurt goed aan om in de pre-contractuele fase luid en duidelijk hun eventuele op- en aanmerkingen duidelijk te maken richting de franchisegever en zo nodig een ‘pas op de plaats’ te maken voor wat betreft de voorbereidende werkzaamheden voor de franchise. Dit om te voorkomen dat een franchisenemer ongewild in een franchise relatie wordt gezogen onder voorwaarden waarmee hij helemaal niet akkoord is.

In de aankomende Wet Franchise (zie deze blog) lijkt de ondertekening van de franchiseovereenkomst geen constitutief vereiste te zijn voor het tot stand komen van een franchise relatie. Er is weliswaar bepaald in de (concept) wet dat een postcontractueel non-concurrentiebeding alleen geldig is als het op schrift is gesteld, maar voor de overige bepalingen lijkt een dergelijke vereiste niet te gelden. Op basis van de concepttekst van de Wet Franchise zou ook onder die wet een franchise relatie tot stand te kunnen komen op basis van een niet-getekende franchiseovereenkomst.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Voor het franchisevakblad Franchise+ hebben Jan-Willem Kolenbrander en Menno de Wijs recent een artikel geschreven over franchise en pensioenrecht. In het artikel lichten Jan-Willem en Menno aan de hand van een concrete casus toe hoe het pensioenrecht relevant is voor franchisegevers en franchisenemers. Ook lichten zij in het artikel toe waarom het van belang is dat een franchisegever of franchisenemer proactief laat onderzoeken of hij al dan niet onder een verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds valt.

Het volledige artikel van Jan-Willem en Menno is hier te raadplegen. Voor verdere vragen over franchise of pensioenrecht kunt u contact opnemen met Jan-Willem Kolenbrander, advocaat Franchiserecht en Menno de Wijs, advocaat Pensioenrecht.

 

Na zijn rechtenstudie aan de Universiteit Leiden (afstudeerrichting Civiel recht) werkte Jan-Willem enkele jaren bij de grootste rechtsbijstandsverzekeraar van Nederland. Daar werd zijn interesse voor commerciële samenwerkingsverbanden – zoals agentuur en franchise – aangewakkerd. Na zijn overstap in 2008 naar de advocatuur richt Jan-Willem zich volledig op franchise en franchise-gerelateerde kwesties. Sinds 2012 werkt hij bij De Clercq als gespecialiseerd franchiseadvocaat. Verder ondersteunt Jan-Willem met zijn kennis en ervaring van litigation andere teams binnen kantoor, zoals het arbeidsrechtteam en het IT, IE en privacy team.

Menno de WijsMenno de Wijs is een bevlogen professional met veel inhoudelijke kennis en een doelgerichte aanpak. In 2009 studeerde Menno aan de Universiteit Leiden af in Civiel recht, op het onderwerp ‘Rechtsbescherming bij aanbestedingen’. Aansluitend startte hij zijn juridische loopbaan als advocaat bij De Clercq. In zijn drang naar permanente ontwikkeling volgt Menno sinds zijn afstuderen doorlopend vak-gerelateerde cursussen en studiedagen, onder meer bij het Juridisch PAO van de Universiteit Leiden en de Academie voor de Rechtspraktijk.

Onze kantoorgenoot Jan-Willem Kolenbrander is onlangs geïnterviewd door AvdR Legalflix. In het interview bespreekt Jan-Willem een franchise zaak waarbij de franchisegever een ex-franchisenemer en zijn oud-werknemer bij de rechter aanspreekt op de overtreding van het postcontractuele non-concurrentiebeding. Jan-Willem legt uit waarom deze zaak interessant is voor franchisegevers en franchisenemers. Het interview is te zien via deze link naar AvdR Legalflix.

Na zijn rechtenstudie aan de Universiteit Leiden (afstudeerrichting Civiel recht) werkte Jan-Willem enkele jaren bij de grootste rechtsbijstandsverzekeraar van Nederland. Daar werd zijn interesse voor commerciële samenwerkingsverbanden – zoals agentuur en franchise – aangewakkerd. Na zijn overstap in 2008 naar de advocatuur richt Jan-Willem zich volledig op franchise en franchise-gerelateerde kwesties. Sinds 2012 werkt hij bij De Clercq als gespecialiseerd franchiseadvocaat. Verder ondersteunt Jan-Willem met zijn kennis en ervaring van litigation andere teams binnen kantoor, zoals het arbeidsrechtteam en het IT, IE en privacy team.

Gisteren (dinsdag 11 februari 2020) heeft de regering bekend gemaakt (klik hier) dat het wetsvoorstel Wet Franchise ter beoordeling naar de Tweede Kamer is gestuurd. Aldus de toelichting komt er meer transparantie bij het sluiten van franchiseovereenkomsten en worden franchisenemers beter geïnformeerd over de ontwikkelingen rondom de franchise formule. Verder beoogt het wetsvoorstel meer zeggenschap voor de franchisenemers, omdat er in bepaalde gevallen een instemmingsrecht gaat gelden.

Ook de Raad van State meldt op haar website (klik hier) dat het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer is gestuurd. Daaruit blijkt eveneens dat de Raad van State opmerkingen heeft over de onderzoeksplicht van de franchisenemer, delegatie en de Dienstenrichtlijn. De Raad acht het om die reden wenselijk dat het wetsvoorstel en de toelichting worden aangepast.

Het is nu aan de Tweede Kamer om zich te buigen over dit wetsvoorstel. Gezien de opmerkingen in het regeerakkoord zal het voor de hand liggen dat er ook daadwerkelijk een Wet Franchise komt.

Eerder bespraken we al het wetsvoorstel en de beoogde juridische gevolgen voor de franchisebranche, die naar alle waarschijnlijkheid aanzienlijk zullen zijn. Voor een nadere toelichting verwijzen we kortheidshalve naar eerdere blogs en artikelen over het wetsvoorstel:

Bij vragen over de aankomende Wet Franchise kunt u uiteraard contact met ons opnemen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Onze kantoorgenoot Jan-Willem Kolenbrander heeft onlangs voor Boom Juridische Opleidingen wederom een webinar franchisrecht actueel verzorgd. In deze videocursus praat hij u in twee uur bij over de laatste jurisprudentie en ontwikkelingen op het gebied van het franchiserecht, zoals de aankomende Wet Franchise. Het webinar is hier te bestellen.

 

Na zijn rechtenstudie aan de Universiteit Leiden (afstudeerrichting Civiel recht) werkte Jan-Willem enkele jaren bij de grootste rechtsbijstandsverzekeraar van Nederland. Daar werd zijn interesse voor commerciële samenwerkingsverbanden – zoals agentuur en franchise – aangewakkerd. Na zijn overstap in 2008 naar de advocatuur richt Jan-Willem zich volledig op franchise en franchise-gerelateerde kwesties. Sinds 2012 werkt hij bij De Clercq als gespecialiseerd franchiseadvocaat. Verder ondersteunt Jan-Willem met zijn kennis en ervaring van litigation andere teams binnen kantoor, zoals het arbeidsrechtteam en het IT, IE en privacy team.

 

 

De Raad van State laat via haar website (klik hier) weten dat zij op 11 december jl. het wetsvoorstel Wet Franchise heeft vastgesteld. De Raad van State is onafhankelijk adviseur van de regering en het parlement over wetgeving, dus ook over onderhavige franchise wetgeving.

Nu de raad het voorstel heeft vastgesteld, kan het door de Staatssecretaris worden doorgestuurd naar de Staten-Generaal. Zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer zullen zich dan buigen over dit wetsvoorstel.

Een overzicht van het oorspronkelijke voorstel Wet Franchise is hier te raadplegen. Daarop zijn blijkens het consultatieverslag wetsvoorstel Wet Franchise enige aanpassingen gekomen.

Heeft u vragen over franchise of franchisewetgeving? Neem contact op met Jan-Willem Kolenbrander.

Zoals ik al in mijn artikel ‘McBankroet – franchise en faillissement’ (klik hier voor het artikel) had opgemerkt, is een faillissement van de franchisegever voor haar franchisenemers een vervelende aangelegenheid. De (ontwikkeling van de) formule komt feitelijk tot een stilstand en de franchisenemers geraken in een onzekere situatie voor wat betreft hun toekomst. Een franchisegever die failliet gaat, kan bij bestaande franchisenemers dus de nodige kopzorgen veroorzaken. Uit een recente kwestie, die aanhangig was gemaakt bij de Hoge Raad,  blijkt echter dat een failliete franchisegever ook kopzorgen kan veroorzaken bij haar voormalige franchisenemers.

In deze kwestie stelden franchisenemers zich op het standpunt dat hun franchisegever onjuiste c.q. onvolledige informatie had verstrekt ten tijde van het ondertekenen van de franchiseovereenkomsten. De franchisenemers vernietigden vervolgens de franchiseovereenkomsten op grond van dwaling en bedrog. Zij stapten naar de rechtbank en vroegen de rechter om te oordelen dat de franchisegever onrechtmatig jegens hen had gehandeld. De franchisegever, op haar beurt, vroeg de rechter om de ex-franchisenemers te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding vanwege contractbreuk. De rechtbank stelde de ex-franchisenemers in het gelijk, vernietigde de franchiseovereenkomsten en verklaarde voor recht dat de franchisegever onrechtmatig had gehandeld. De vorderingen van de franchisegever werden afgewezen.

De franchisegever legde zich niet neer bij dit oordeel en ging in hoger beroep bij het gerechtshof. Kort na het indienen van haar beroepschrift ging de franchisegever echter failliet en werd de procedure ten aanzien van de vorderingen van de franchisenemers op de franchisegever stilgelegd (geschorst). De franchisenemers vroegen om ontslag van instantie, zodat dat deel van de zaak kon worden afgewikkeld, maar dat verzoek werd niet gehonoreerd. De curator van de failliete franchisegever droeg vervolgens de (vermeende) vorderingen van de franchisegever op de franchisenemers over op twee nieuwe partijen die verder zouden procederen. De franchisenemers dienden een verweerschrift in ten aanzien van de vorderingen van de failliete franchisegever. Er werd door de franchisenemers echter geen verweer gevoerd tegen de stellingen die de failliete franchisegever had ingenomen ten aanzien van hun eigen vorderingen, omdat die kwestie immers was stilgelegd. Bij pleidooi vroegen de franchisenemers wederom om ontslag van instantie aan de zijde van de franchisegever voor dat gedeelte van de procedure.

In haar eindarrest wees het gerechtshof nogmaals het verzoek om ontslag van instantie af. Verder vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de ex-franchisenemers, omdat zij – zie hiervoor – geen inhoudelijk verweer hadden gevoerd tegen de stellingen van de franchisegever. De vorderingen van de (opvolgers van de) failliete franchisegever werden om die reden toegewezen.

‘Ten onrechte’, oordeelt de Hoge Raad in cassatie ten gunste van de ex-franchisenemers (zie: ECLI:NL:HR:2019:1917 – klik hier voor het volledige arrest). De procedure ten aanzien van de vorderingen van de ex-franchisenemers zelf was immers stilgelegd vanwege het faillissement van de franchisegever. Verder hadden de franchisenemers tot tweemaal toe (tevergeefs) om ontslag van instantie gevraagd aan het hof ten aanzien van dit gedeelte van de procedure. Desalniettemin heeft het hof een eindoordeel gegeven, waarbij louter de stellingen van de franchisegever zijn gebruikt, zonder de ex-franchisenemers eerst in de gelegenheid te stellen alsnog te reageren op deze stellingen. Daarmee heeft het hof in de visie van de Hoge Raad het beginsel van ‘hoor en wederhoor’ geschonden. De zaak moet dan ook worden overgedaan bij een ander gerechtshof volgens de Hoge Raad.

Deze zaak toont aan dat het faillissement van een franchisegever voor de nodige kopzorgen kan zorgen, ook bij ex-franchisenemers. Wederom zullen zij genoodzaakt zijn om een (dure en langdurige) gerechtelijke procedure te voeren om te voorkomen dat zij alsnog enig geldbedrag moeten betalen aan de (opvolgers van de) failliete franchisegever. En dat terwijl hun eigen vorderingen waarschijnlijk hoe dan ook nimmer verhaalbaar zijn vanwege de failliete boedel. Niet iets om blij van te horen derhalve.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Voor het franchise vakblad Franchise+ heb ik onlangs een artikel geschreven over de Wet Franchise, meer specifiek over de regeling in het wetsvoorstel waardoor franchisegevers minder gemakkelijk wijzigingen kunnen doorvoeren in hun franchiseformule. In het artikel betoog ik dat franchisenemers uiteraard beschermd dienen te worden tegen (te) lichtvaardige wijzigingen in de formule, maar dat franchisenemers uiteindelijk ook niet gebaat zijn bij een franchiseformule die onvoldoende flexibiliteit heeft om de concurrenten op kortere en langere termijn het hoofd te bieden. Het volledige artikel is via deze link te raadplegen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht