Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Sinds 1 januari 2021 is de Wet franchise van kracht geworden. Het doel van deze wet is om de positie van franchisenemers te versterken in de precontractuele fase en gedurende de looptijd van de franchise. Maar wat is er nu precies veranderd voor franchisegevers en franchisenemers door deze wet? In deze blogreeks Franchise worden kort enkele noemenswaardige veranderingen onder de loep genomen. In deze aflevering: de verplichting van de franchisegever om in de precontractuele fase informatie te verstrekken hoe een franchisenemer kennis kan nemen van zijn omzet gerelateerde gegevens.

Tijdens de exploitatie van een gefranchisede onderneming zal de franchisenemer allerlei informatie en gegevens tot zijn beschikking krijgen door de verkoop van producten en diensten. Denk daarbij aan het soort en het aantal producten dat wordt verkocht en tegen welke verkoopprijzen. Dergelijke (omzet gerelateerde) gegevens, die doorgaans in het kassasysteem worden opgeslagen, kunnen relevant zijn voor een franchisenemer om meer inzicht in zijn onderneming te krijgen. En om zijn exploitatie bij te sturen als dat nodig is. Dergelijke gegevens zijn derhalve een belangrijke bron van informatie voor een ondernemer.

Belangrijk oogmerk van de Wet franchise is verstrekking van informatie in de precontractuele fase. Op grond van deze informatie dient een kandidaat-franchisenemer in staat te zijn om een reële inschatting te maken van de (financiële en juridische) risico’s die het aangaan van de franchiseovereenkomst met zich meebrengt. Per 1 januari 2021 is er door de invoering van de Wet franchise een specifieke informatieverplichting voor de franchisegever ingevoerd ten aanzien van omzet gerelateerde gegevens. Zo bepaalt artikel 7:913 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) dat een franchisegever in de precontractuele fase tijdig een kandidaat-franchisenemer moet informeren over de mate waarin, de frequentie waarmee en de wijze waarop de franchisenemer kennis kan nemen van omzet gerelateerde gegevens die hem betreffen of voor zijn bedrijfsvoering van belang zijn.

Volgens de wetgever zou het in de praktijk voorkomen dat de franchisegever aan de franchisenemer aanbiedt om zijn boekhouding te doen, al dan niet via de boekhouder van de franchisegever, maar dat de franchisegever vervolgens de mogelijkheden van de franchisenemer tot kennisneming van diens eigen boekhouding beperkt. Voor wat betreft de informatie die in de kassasystemen wordt vergaard, merkt de wetgever op dat er (kennelijk) situaties zijn waarbij de franchisenemer niet (gemakkelijk) bij die informatie kan komen, omdat de franchisegever de systemen beheert en de franchisenemer dus afhankelijk is van de franchisegever. De wetgever heeft deze informatieverplichting dan ook ingesteld zodat een franchisenemer op voorhand weet waar hij aan toe is als hij toetreedt tot de formule.

Discussies over deze materie tussen franchisegevers en franchisenemers lijken vooralsnog echter meer uitzondering dan regel te zijn in de franchisebranche. Vaak zal een franchisenemer via zijn eigen kassasysteem alle benodigde informatie tot zijn beschikking hebben en niet (of slechts zijdelings) afhankelijk zijn van de franchisegever. Discussies daarover lijken in ieder geval niet zo’n aard en omvang te hebben in de praktijk dat het gerechtvaardigd zou zijn aandacht hieraan te besteden in een wet. De wetgever merkt overigens zelf ook op dat er discussies waren tijdens de consultatieronde of dergelijke situaties zich überhaupt zouden voordoen in de praktijk. Desalniettemin zag de wetgever aanleiding om artikel 7:913 lid 2 BW op te nemen, omdat franchisenemers op hun beurt hadden aangeven dit wel degelijk als een knelpunt te ervaren in een franchise-samenwerking.

Wat daar ook van zij – aangezien de Wet franchise per 1 januari 2021 van kracht is geworden, dienen franchisegevers bij het werven van franchisenemers uiteraard te voldoen aan deze informatieverplichting. Ook als de franchisenemers van hun formule – als gangbaar – via hun kassasysteem volledige toegang hebben tot alle relevante omzet gerelateerde gegevens. De franchisegever kan in dat geval volstaan met een enkele melding dat de franchisenemer kennis kan nemen van de betreffende gegevens.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Voor het juridische vakblad Contracteren heeft onze kantoorgenoot Jan-Willem Kolenbrander een artikel geschreven over het postcontractuele non-concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst anno 2021.

In het artikel wordt een overzicht gegeven van recente jurisprudentie op het gebied van het postcontractuele non-concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst. Ook staat Jan-Willem stil bij de invloed van de Wet franchise op dergelijke postcontractuele non-concurrentiebedingen. Het volledige artikel is te raadplegen op de website van Boom Juridische Tijdschriften (klik hier).’

Sinds 1 januari 2021 is de Wet franchise van kracht geworden. Het doel van deze wet is om de positie van franchisenemers te versterken in de precontractuele fase en gedurende de looptijd van de franchise. Maar wat is er nu precies veranderd voor franchisegevers en franchisenemers door deze wet? In deze blogreeks Franchise worden kort enkele noemenswaardige veranderingen onder de loep genomen. In deze aflevering: afgeleide formules.

Over het algemeen is een franchiseformule overzichtelijk. Er is een franchisegever die het concept heeft bedacht en dit concept in licentie verstrekt aan derden, de franchisenemers. De franchisenemers passen dit concept vervolgens toe in de exploitatie van hun onderneming op dezelfde manier zodat een eenduidige (distributie)keten ontstaat. De franchisenemers zijn voor de franchisegever dan de enige manier waarop goederen en diensten worden verhandeld aan de klanten.

Soms kan een franchisegever echter ook een nieuw concept introduceren die qua naam en uitstraling heel erg lijkt op de bestaande formule maar op bepaalde punten toch wezenlijk afwijkt van die formule. Als voorbeeld daarvan kunnen (bijvoorbeeld) de ‘To Go’-versies van supermarkten genoemd worden. Op veel punten lijken deze ‘To Go’-versies namelijk op hun ‘grote broers’ (zoals naam en uitstraling) maar er zijn ook duidelijke verschillen aan te wijzen tussen beiden, zoals ten aanzien van het assortiment en de grootte. De webshop van de franchisegever wordt ook gezien als een afgeleide formule.

Tot 1 januari 2021 bestonden er geen speciale wettelijke regels omtrent de introductie van dergelijke nieuwe concepten door de franchisegever. Het werd aan partijen overgelaten om afspraken te maken over nieuwe concepten naast de bestaande formule, bijvoorbeeld in het kader van de rayon exclusiviteit van de franchisenemer. Verder waren er weinig beperkingen voor een franchisegever om dergelijke nieuwe concepten te introduceren.

Per 1 januari 2021 gelden er door de invoering van de Wet franchise wettelijke regels ten aanzien van de introductie van nieuwe concepten naast de bestaande formule. Een dergelijk nieuw concept wordt in de Wet franchise ‘afgeleide formule’ genoemd, of concreter een “operationele, commerciële en organisatorische formule die (…) bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de ondernemingen waar deze formule wordt toegepast [en] in een of meer voor het publiek kenbare, onderscheidende kenmerken overeenstemt met de [bestaande] franchiseformule, en die (…) rechtstreeks of via derden door een franchisegever wordt gebruikt voor de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten, die geheel of grotendeels hetzelfde zijn als de goederen en diensten [van de bestaande franchiseformule]”.

In artikel 7:921 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) is geregeld dat als een franchisegever voornemens is om zelf (of via derden) een afgeleide formule te gaan exploiteren en er negatieve effecten te verwachten zijn (o.a. investeringen, opslagen, omzetderving, et cetera) de franchisegever voorafgaande toestemming van de franchisenemer nodig heeft voor die introductie. Tenzij het negatieve effect van de invoering van de afgeleide formule minder bedraagt dan een drempelwaarde die voor dat doel moet zijn opgenomen in de franchiseovereenkomst. Is er geen drempelwaarde opgenomen in de franchiseovereenkomst dan dient voornoemde voorafgaande toestemming altijd gevraagd te worden. Het effect van artikel 7:921 BW is dus dat een franchisegever minder eenvoudig afgeleide formules kan introduceren. Op grond van 7:913 BW moet een franchisegever in de precontractuele fase aan een kandidaat-franchisenemer melden als hij via een afgeleide formule concurreert met franchisenemers.

Voor de franchiseovereenkomsten die per 1 januari 2021 al bestonden, geldt dat deze uiterlijk op 1 januari 2023 drempelwaarden moeten bevatten voor de introductie van afgeleide formules. Als een franchisegever na deze periode het voornemen heeft om een afgeleide formule te introduceren en er staat geen drempelwaarde in de overeenkomst daarvoor opgenomen dan dient er altijd toestemming gevraagd te worden. Franchiseovereenkomsten die na 1 januari 2021 worden gesloten dienen een drempelwaarde te bevatten bij gebreke waarvan altijd toestemming moet worden gevraagd.

Als in het geval van drempelwaarden bij eenzijdige wijzigingsbedingen – zie de blog eerder daarover – heeft de wetgever kenbaar gemaakt dat het niet de bedoeling is dat franchisegevers gebruik gaan maken van dermate hoge drempelwaarden dat de bescherming van artikel 7:921 BW feitelijk wordt uitgehold. Franchisegevers zullen dus ook ten aanzien van drempelwaarden ten aanzien van afgeleide formules een goed afgewogen keuze moeten maken.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Sinds 1 januari 2021 is de Wet franchise van kracht geworden. Het doel van deze wet is om de positie van franchisenemers te versterken in de precontractuele fase en gedurende de looptijd van de franchise. Maar wat is er nu precies veranderd voor franchisegevers en franchisenemers door deze wet? In deze blogreeks Franchise worden kort enkele noemenswaardige veranderingen onder de loep genomen. In deze aflevering: informatieverplichtingen van de franchisegever tijdens de franchise.

Gedurende de looptijd van een franchiseovereenkomst zal een franchisegever de franchisenemer idealiter informeren over alle relevante ontwikkelingen en nieuwigheden binnen de formule. Denk daarbij aan wijzigingen in de huisstijl, het assortiment, voorgenomen aanpassingen in de franchiseovereenkomst of andere ontwikkelingen, zoals het verkopen van formule-specifieke producten via andere verkoopkanalen.

Tot 1 januari 2021 waren er geen speciale wettelijke regels omtrent de informatieverplichtingen van franchisegevers gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst. In principe werd het overgelaten aan de franchisegever zelf wat er door hem werd gemeld aan de franchisenemers en op welk moment dat dan plaatsvond.

Per 1 januari 2021 gelden er door de invoering van de Wet franchise echter wettelijke regels ten aanzien van de informatie die de franchisegever tijdens de franchise in ieder geval moet verstrekken aan een franchisenemer. Zo bepaalt artikel 7:916 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) onder meer dat een franchisegever tijdig de franchisenemer moet informeren over de volgende onderwerpen:

De laatste verplichting (‘overige informatie’) is uiteraard een zeer breed geformuleerde informatieverplichting. Franchisegevers zullen dus steeds weer bij zichzelf te raden moeten gaan of er informatie aan hun zijde is die gedeeld dient te worden met de franchisenemer om te voorkomen dat zij in strijd met de wet handelen.

De wetgever heeft in beginsel geen concrete termijnen verbonden aan het moment waarop de franchisegever precies bepaalde informatie moet verstrekken, dus er zal per geval beoordeeld moeten worden wanneer de informatieverstrekking ‘tijdig’ genoeg is.

Zoals uit voornoemd overzicht blijkt, heeft de wetgever op één punt wel een concreet termijn genoemd. De franchisegever dient immers jaarlijks de franchisenemers te informeren of de opslagen en financiële bijdragen die zijn betaald door de franchisenemer de kosten en of investeringen dekken. Het staat de franchisegever in beginsel vrij om daar zelf het geschikte moment voor te kiezen zolang er elk jaar maar over wordt geïnformeerd.

Voornoemde informatieverplichtingen gelden door de invoering van de Wet franchise per 1 januari 2021. Dat betekent dat franchisegevers daar per direct aan dienen te voldoen. Doen zij dat niet dan handelen zij in strijd met de wet, dus franchisegevers doen er goed aan hun interne protocollen daarop aan te passen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Zoals bekend, zijn postcontractuele non-concurrentiebedingen in een franchiseovereenkomst afspraken die het een franchisenemer na de beëindiging van de overeenkomst verbieden om gedurende een bepaalde periode in een bepaald gebied concurrerende activiteiten te ontplooien. In deze blogs is hier al eerder aandacht aan besteed (klik hier voor een overzicht van andere artikelen over dit onderwerp). Knowhow speelt daarbij ook een steeds belangrijkere rol.

Recent heeft de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2021:877 – klik hier voor het gehele vonnis) zich ook uitgelaten over deze materie. Het betrof ditmaal een franchiseformule gericht op de bemiddeling bij verhuur van onroerend goed en beheer van woonruimte. Franchisegever en franchisenemer hadden een franchiseovereenkomst met elkaar gesloten waarin (onder meer) een postcontractueel non-concurrentiebeding was opgenomen. Dit beding verbood het de franchisenemer om gedurende een periode van 2 jaar na het einde van de franchiseovereenkomst in (minimaal) een straal van 35 kilometer vanaf het vestigingspunt concurrerende activiteiten te ontplooien. Een aanvullende bepaling in de overeenkomst verbood de franchisenemer om gedurende een periode van één jaar na het einde van de overeenkomst waar dan ook concurrerende activiteiten te ontplooien.

Franchisenemer was voor het tekenen van deze franchiseovereenkomst al zelf 11 jaar actief als makelaar. Toen de samenwerking met de franchisegever kwam te eindigen, ging de (ex-)franchisenemer onder eigen naam door. Dat was volgens de franchisegever een inbreuk op het postcontractuele non-concurrentiebeding en hij startte een kort geding.

Aldus de rechtbank strekt een non-concurrentiebeding er primair toe om de franchisegever in staat te stellen zijn knowhow aan de franchisenemers over te dragen, en deze de nodige bijstand bij de toepassing van zijn methoden te kunnen verlenen, zonder het risico te hoeven lopen dat die knowhow en die bijstand direct of indirect aan concurrenten ten goede komen. Aldus de rechtbank moet dan ook de vraag worden beantwoord of er sprake is geweest van de overdracht van knowhow aan deze (ex-)franchisenemer. Is daar geen sprake van geweest dan kan de franchisegever geen nakoming vorderen van het concurrentiebeding. Voor de definitie van ‘knowhow’ kan volgens de rechtbank gekeken worden naar de Wet franchise.

De rechtbank komt uiteindelijk tot de conclusie dat er geen sprake is van overgedragen knowhow, te weten kennis of informatie die geheim, wezenlijk en geïdentificeerd is. De kennis en informatie die wél is overgedragen is (te) algemeen van aard, niet geheim of uniek, zodat er niet van ‘knowhow’ kan worden gesproken. Er is niet onderbouwd door de franchisegever dat de verstrekte kennis of informatie niet eenvoudig buiten hem om had kunnen worden verkregen. De franchisenemer had het volgens de rechtbank ook gemakkelijk uit andere kanalen kunnen krijgen als dat nodig was. Omdat het franchise handboek niet (tijdig) door de franchisegever in het geding is gebracht, heeft de rechtbank niet kunnen beoordelen in hoeverre daar wél knowhow in stond. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat deze franchisegever onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van de overdracht van knowhow. Reeds om die reden dient de vordering van de franchisegever afgewezen te worden.

Een zware dobber voor deze franchisegever, te meer omdat de rechter impliciet stelt dat de non-concurrentiebedingen in alle franchiseovereenkomsten van deze franchisegever niet kunnen worden afgedwongen. Met de introductie van de Wet franchise ligt het voor de hand dat het ontbreken van knowhow vaker een belemmering kan worden voor een franchisegever om nakoming van een postcontractueel non-concurrentiebeding af te dwingen bij een ex-franchisenemer. Zo is een vereiste voor het kunnen opnemen van een non-concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst volgens de Wet franchise (zie artikel 7:920 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek) immers dat deze beperking “onmisbaar is om de door de franchisegever aan franchisenemer overgedragen knowhow te beschermen”. Is er geen sprake van overgedragen knowhow dan is een non-concurrentiebeding dus niet geldig. Franchisegevers doen er dan ook goed aan om te inventariseren waar de overgedragen knowhow van hun formule in gelegen is.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Sinds 1 januari 2021 is de Wet franchise van kracht geworden. Het doel van deze wet is om de positie van franchisenemers te versterken in de precontractuele fase en gedurende de looptijd van de franchise. Maar wat is er nu precies veranderd voor franchisegevers en franchisenemers door deze wet? In deze blogreeks Franchise worden kort enkele noemenswaardige veranderingen onder de loep genomen. In deze aflevering: wijzigingsbedingen en drempelwaarden.

In een franchiseovereenkomst worden de afspraken opgeschreven die tussen partijen gelden. In principe gelden die afspraken gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst en kunnen deze niet eenzijdig worden gewijzigd. Beide partijen moeten akkoord zijn met die wijziging. Om een bepaalde mate van flexibiliteit te kunnen behouden, zal een franchisegever in zijn franchiseovereenkomst vaak zogenaamde eenzijdige wijzigingsbedingen opnemen. Dat zijn bedingen die de franchisegever het recht geeft om bepaalde afspraken in de franchiseovereenkomst toch eenzijdig te wijzigen. Denk daarbij aan wijzigingen in het assortiment of wijzigingen in het handboek. Verdergaande wijzigingsbedingen, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de franchise-fee zijn ook denkbaar.

Tot 1 januari 2021 waren er geen speciale wettelijke regels omtrent eenzijdige wijzigingsbedingen in een franchiseovereenkomst. Indien de franchisegever een dergelijk wijzigingsbeding had opgenomen in de franchiseovereenkomst dan kon hij daar in principe altijd een beroep op doen, tenzij dat in strijd was met de regels van redelijkheid en billijkheid.

Per 1 januari 2021 gelden er door de invoering van de Wet franchise echter wettelijke regels voor eenzijdige wijzigingsbedingen in de franchiseovereenkomst. Zo bepaalt artikel 7:921 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) dat een franchisegever voorafgaande toestemming nodig heeft van een franchisenemer als hij via een eenzijdig wijzigingsbeding in de franchiseovereenkomst een wijziging in de franchiseformule wil doorvoeren. Het moet dan gaan om een wijziging die tot gevolg heeft dat de franchisenemer een investering moet doen of andersoortige kosten voor zijn rekening moet nemen, dan wel als de franchisegever een vergoeding, opslag of andere financiële bijdrage invoert of wijzigt ten nadele van de franchisenemer, dan wel als de wijziging leidt tot een derving van omzet bij de franchisenemer.

Is er echter een drempelwaarde opgenomen in de franchiseovereenkomst en blijft het (negatieve) gevolg van voornoemd eenzijdige wijziging onder die waarde dan is voorafgaande toestemming niet nodig. Komt het (negatieve) gevolg van voornoemde wijziging boven de drempelwaarde, of is er in het geheel geen drempelwaarde opgenomen in de overeenkomst, dan dient er voorafgaande toestemming te worden gevraagd voor die wijziging van de franchisenemer. Het effect van artikel 7:921 BW is dus dat een franchisegever minder eenvoudig wijzigingen kan doorvoeren door gebruik te maken van eenzijdige wijzigingsbedingen.

Voor de franchiseovereenkomsten die per 1 januari 2021 al bestonden en wijzigingsbedingen bevatten geldt dat deze uiterlijk 1 januari 2023 aangepast kunnen worden aan artikel 7:921 BW door het opnemen van drempelwaarden. Tot die tijd hoeven deze overeenkomsten dus niet te voldoen aan artikel 7:921 BW. Als er na die periode eenzijdige wijzigingsbedingen staan in de franchiseovereenkomst zonder drempelwaarden dan dient er altijd toestemming gevraagd te worden. Daardoor zal het nut van deze bedingen feitelijk nihil worden.

De wetgever heeft al laten weten dat het niet de bedoeling is dat franchisegevers gebruik gaan maken van dermate hoge drempelwaarden dat de bescherming van artikel 7:921 BW feitelijk wordt uitgehold. Dat zou in strijd zijn met ‘goed franchisegever’-schap. Franchisegevers zullen dus een goed afgewogen keuze moeten maken bij het opnemen van drempelwaarden in hun franchiseovereenkomsten. Enerzijds willen franchisegevers flexibiliteit behouden, maar anderzijds willen zij ook voorkomen dat hen een gebrek aan ‘goed franchisegever’-schap wordt aangerekend.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Sinds 1 januari 2021 is de Wet franchise van kracht geworden. Het doel van deze wet is om de positie van franchisenemers te versterken in de precontractuele fase en gedurende de looptijd van de franchise. Maar wat is er nu precies veranderd voor franchisegevers en franchisenemers door deze wet? In deze blogreeks Franchise worden kort enkele noemenswaardige veranderingen onder de loep genomen. In deze aflevering: de goodwill vergoeding na het einde van de franchise.

Goodwill is de meerwaarde van een onderneming die niet (direct) is terug te vinden in de boeken. Deze meerwaarde kan, bijvoorbeeld, ontstaan omdat een franchisenemer bijzonder gedreven is en daardoor een grote klantenkring heeft opgebouwd, of omdat de franchisenemer zeer kundig personeel heeft ingeschakeld. Bij de verkoop van de gefranchisede onderneming kan deze meerwaarde zorgen voor een hogere verkoopprijs.

Tot 1 januari 2021 waren er geen speciale wettelijke regels omtrent goodwill in een franchisesamenwerking. Indien de franchisegever en franchisenemer concreet met elkaar hadden afgesproken dat de franchisenemer recht had op een goodwillvergoeding dan kon deze een dergelijke vergoeding vorderen. Was een dergelijke afspraak echter niet gemaakt, dan kon de franchisenemer in principe geen aanspraak maken op betaling van goodwill uit hoofde van de franchiseovereenkomst. Dat blijkt ook uit diverse rechtspraak.

Per 1 januari 2021 gelden er door de invoering van de Wet franchise echter concrete wettelijke regels ten aanzien van een goodwill vergoeding na het einde van de franchiseovereenkomst.  Zo moet een franchiseovereenkomst op grond van artikel 7:920 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) bijvoorbeeld een verplichte goodwill bepaling bevatten. Deze verplichte goodwill bepaling moet in ieder geval bepalen op welke wijze wordt vastgesteld of er goodwill aanwezig is in de onderneming van de franchisenemer, welke omvang deze goodwill dan heeft en in welke mate deze goodwill aan de franchisegever (of de franchisenemer) is toe te rekenen. Ook moet er bepaald worden op welke wijze de goodwill, die redelijkerwijs is toe te rekenen aan de franchisenemer, bij de beëindiging van de franchiseovereenkomst wordt vergoed aan de franchisenemer als de franchisegever de franchiseonderneming zelf voortzet, dan wel als de franchisegever deze onderneming overdraagt aan een derde met wie de franchisegever een franchiseovereenkomst sluit.

Er zijn diverse mogelijkheden denkbaar op welke manier de aard en omvang van de goodwill kan worden bepaald. Denk daarbij aan een concrete berekening in de overeenkomst of het op dat moment inschakelen van een onafhankelijke deskundige.

Het effect van artikel 7:920 BW is dat een franchisegever, die een gefranchisede onderneming overneemt, over het algemeen gehouden is goodwill te betalen. En op basis van een bepaling die de franchisenemer op voorhand en voor ondertekening van de franchiseovereenkomst heeft kunnen beoordelen. Daarmee beoogt de wetgever te voorkomen dat een franchisenemer na beëindiging van de franchiseovereenkomst en overname door de franchisegever van de onderneming geen redelijke vergoeding krijgt voor door de franchisenemer opgebouwde goodwill.

Voor franchiseovereenkomsten die per 1 januari 2021 al bestonden, geldt dat deze uiterlijk 1 januari 2023 een goodwill bepaling moeten krijgen. Tot die tijd hoeven deze overeenkomsten niet te voldoen aan artikel 7:920 BW, maar daarna wel (op straffe van vernietigbaarheid als het niet zo is).

Van belang is om afsluitend op te merken dat voornoemde bepaling dus alleen relevant is op het moment dat de franchisegever de onderneming van franchisenemer overneemt na einde van de franchiseovereenkomst. Neemt een derde – zoals een collega franchisenemer – de onderneming over dan geldt de goodwill bepaling niet.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Sinds 1 januari 2021 is de Wet franchise van kracht geworden. Het doel van deze wet is om de positie van franchisenemers te versterken in de precontractuele fase en gedurende de looptijd van de franchise. Maar wat is er nu precies veranderd voor franchisegevers en franchisenemers door deze wet? In deze blogreeks Franchise worden kort enkele noemenswaardige veranderingen onder de loep genomen. In deze aflevering: gedragen als een goed franchisegever en franchisenemer.

Partijen bij een franchiseovereenkomst dienen zich volgens de wet jegens elkaar te gedragen volgens de regels van de redelijkheid en billijkheid. Wat dat precies inhoudt, wordt mede bepaald door de algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende rechtsovertuigingen en de maatschappelijke en persoonlijke gevallen die in het concrete geval zijn betrokken. Dat kan betekenen dat een franchisegever of franchisenemer iets moet doen of nalaten, hoewel dat niet met zoveel woorden in de franchiseovereenkomst staat beschreven.

Per 1 januari 2021 is er door de invoering van de Wet franchise een specifiek op franchise gerichte bepaling ingevoerd die toeziet op de gedragingen van franchisegevers en franchisenemers. Zo bepaalt artikel 7:912 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) dat franchisegevers en franchisenemers zich jegens elkaar dienen te gedragen als een ‘goed franchisegever’ en een ‘goed franchisenemer’. Volgens de wetgever drukt de formulering van artikel 7:912 BW uit dat de franchisegever en de franchisenemer zich hebben te gedragen zoals een ‘behoorlijk persoon’ zich jegens een ander gedraagt. Welk gedrag daarbij wenselijk is, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals het type franchiseformule, de branche waarin partijen actief zijn, de grootte van de franchiseketen en hoe ervaren partijen zijn. Dat betekent dat bepaald gedrag in de ene situatie aanvaardbaar kan zijn, terwijl datzelfde gedrag in een andere situatie niet aanvaardbaar is.

Alhoewel er al andere (algemene) bepalingen in de wet zijn opgenomen over hoe partijen zich jegens elkander dienen te gedragen, meent de wetgever dat het goed is om via artikel 7:912 BW ook nog een specifiek op franchise gerichte bepaling op te nemen in de wet. Gezien de aard en inhoud van deze reeds bestaande (algemene) bepalingen is het de vraag of artikel 7:912 BW uiteindelijk tot een andere beoordeling zal leiden bij een rechter. Feit is natuurlijk wel dat door een dergelijk franchise-specifiek beding op te nemen in de wet zowel de franchisegever als de franchisenemer er waarschijnlijk extra op geattendeerd worden hoe zij zich dienen de gedragen in de franchisesamenwerking. En dat kan op zichzelf al een positieve uitwerking hebben op de branche ten opzichte van de reeds bestaande (algemene) wettelijke bepalingen die voor niet-juristen waarschijnlijk te cryptisch en algemeen zijn omschreven.

Aangezien de Wet franchise per 1 januari 2021 van kracht is geworden, dienen franchisegever en franchisenemer vanaf die datum volledig aan artikel 7:912 BW te voldoen. Zoals hiervoor toegelicht, betekent dat dus niet dat zij zich daarvoor niet als goed franchisegever en goed franchisenemer moesten gedragen. Wel is de invoering van artikel 7:912 BW natuurlijk een goede aanleiding om het eigen gedrag goed tegen het licht te houden. En te blijven houden!

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Sinds 1 januari 2021 is de Wet franchise van kracht geworden. Het doel van deze wet is om de positie van franchisenemers te versterken in de precontractuele fase en gedurende de looptijd van de franchise. Maar wat is er nu precies veranderd voor franchisegevers en franchisenemers door deze wet? In deze blogreeks Franchise worden kort enkele noemenswaardige veranderingen onder de loep genomen. In deze aflevering: de precontractuele fase.

De periode voorafgaand aan het tekenen van een franchiseovereenkomst wordt de ‘precontractuele fase’ genoemd. In deze fase onderhandelen de franchisegever en de kandidaat-franchisenemer met elkaar en praten zij met elkaar over de toekomstige samenwerking. Als alle neuzen vervolgens dezelfde kant opstaan wordt de franchiseovereenkomst getekend.

Per 1 januari 2021 gelden er concrete wettelijke regels voor de precontractuele fase met betrekking tot franchiseovereenkomsten. Zo moet een franchisegever op grond van artikel 7:913 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) in ieder geval de navolgende informatie verstrekken aan een kandidaat-franchisenemer:

Op grond van artikel 7:914 BW dient voornoemde informatie ten minste vier weken voor het sluiten van de franchiseovereenkomst aan de kandidaat-franchisenemer te worden gestuurd. Deze periode wordt ook de ‘standstill’-periode genoemd. Gedurende de standstill­ – periode mag de franchisegever niet het concept van de franchiseovereenkomst ten nadele van de kandidaat wijzigen, dan wel de franchiseovereenkomst of een daarmee verbonden overeenkomst sluiten, dan wel de kandidaat aanzetten tot het doen van betalingen of investeringen.

Sluit een franchisegever in strijd met de Wet franchise bijvoorbeeld toch in de standstill – periode een franchiseovereenkomst met een kandidaat, dan is de sanctie daarop (zie artikel 7:922 BW) dat de kandidaat deze rechtshandeling kan worden vernietigd.

Nu er wettelijk is vastgelegd welke concrete informatie er door de franchisegever in de precontractuele fase verstrekt moet worden aan een kandidaat-franchisenemer (en op welke moment) dient een franchisegever uiteraard zijn precontractuele proces nog zorgvuldiger vorm te geven om juridische ongelukken te voorkomen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Sinds 1 januari 2021 is de Wet franchise van kracht geworden. Het doel van deze wet is om de positie van franchisenemers te versterken in de precontractuele fase en gedurende de looptijd van de franchise. Maar wat is er nu precies veranderd voor franchisegevers en franchisenemers door deze wet? In deze blogreeks Franchise worden kort enkele noemenswaardige veranderingen onder de loep genomen. In deze aflevering: het postcontractuele non-concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst.

Postcontractuele non-concurrentiebedingen zijn bedingen in een franchiseovereenkomst die het een franchisenemer verbieden om gedurende een bepaalde periode na de looptijd van de franchiseovereenkomst concurrerende activiteiten te ontplooien. Tot 1 januari 2021 stond het de franchisegever en de franchisenemer in principe volledig vrij om daar afspraken met elkaar over te maken. Dit kon in de praktijk leiden tot een non-concurrentiebeding dat een vertrekkende franchisenemer verbood om gedurende een periode van 5 jaar in de gehele wereld te concurreren met de formule.

Per 1 januari 2021 gelden er echter wettelijke regels voor postcontractuele non-concurrentiebedingen. Nieuwe franchiseovereenkomsten die per 1 januari 2021 worden gesloten kunnen een non-concurrentiebeding bevatten, maar alleen als aan de volgende voorwaarden is voldaan van artikel 7:920 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’):

Postcontractuele non-concurrentiebedingen die niet voldoen aan artikel 7:920 BW zijn op grond van artikel 7:922 BW nietig. Dat betekent dat het concurrentiebeding geacht wordt nooit afgesproken te zijn.

Voor non-concurrentiebedingen in per 1 januari 2021 al bestaande franchiseovereenkomsten geldt dat deze uiterlijk 1 januari 2023 aangepast moeten zijn. Tot die tijd hoeven deze bedingen nog niet te voldoen aan artikel 7:920 BW maar daarna wel (op straffe van nietigheid).

Kortom, franchisegevers dienen goed te onderzoeken of de postcontractuele non-concurrentiebedingen waarvan zij gebruik maken voldoen aan de Wet franchise.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht