Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Onze kantoorgenoot Jan-Willem Kolenbrander heeft onlangs voor Boom Juridische Opleidingen wederom een webinar franchisrecht actueel verzorgd. In deze videocursus praat hij u in twee uur bij over de laatste jurisprudentie en ontwikkelingen op het gebied van het franchiserecht, zoals de aankomende Wet Franchise. Het webinar is hier te bestellen.

 

Na zijn rechtenstudie aan de Universiteit Leiden (afstudeerrichting Civiel recht) werkte Jan-Willem enkele jaren bij de grootste rechtsbijstandsverzekeraar van Nederland. Daar werd zijn interesse voor commerciële samenwerkingsverbanden – zoals agentuur en franchise – aangewakkerd. Na zijn overstap in 2008 naar de advocatuur richt Jan-Willem zich volledig op franchise en franchise-gerelateerde kwesties. Sinds 2012 werkt hij bij De Clercq als gespecialiseerd franchiseadvocaat. Verder ondersteunt Jan-Willem met zijn kennis en ervaring van litigation andere teams binnen kantoor, zoals het arbeidsrechtteam en het IT, IE en privacy team.

 

 

De Raad van State laat via haar website (klik hier) weten dat zij op 11 december jl. het wetsvoorstel Wet Franchise heeft vastgesteld. De Raad van State is onafhankelijk adviseur van de regering en het parlement over wetgeving, dus ook over onderhavige franchise wetgeving.

Nu de raad het voorstel heeft vastgesteld, kan het door de Staatssecretaris worden doorgestuurd naar de Staten-Generaal. Zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer zullen zich dan buigen over dit wetsvoorstel.

Een overzicht van het oorspronkelijke voorstel Wet Franchise is hier te raadplegen. Daarop zijn blijkens het consultatieverslag wetsvoorstel Wet Franchise enige aanpassingen gekomen.

Heeft u vragen over franchise of franchisewetgeving? Neem contact op met Jan-Willem Kolenbrander.

Zoals ik al in mijn artikel ‘McBankroet – franchise en faillissement’ (klik hier voor het artikel) had opgemerkt, is een faillissement van de franchisegever voor haar franchisenemers een vervelende aangelegenheid. De (ontwikkeling van de) formule komt feitelijk tot een stilstand en de franchisenemers geraken in een onzekere situatie voor wat betreft hun toekomst. Een franchisegever die failliet gaat, kan bij bestaande franchisenemers dus de nodige kopzorgen veroorzaken. Uit een recente kwestie, die aanhangig was gemaakt bij de Hoge Raad,  blijkt echter dat een failliete franchisegever ook kopzorgen kan veroorzaken bij haar voormalige franchisenemers.

In deze kwestie stelden franchisenemers zich op het standpunt dat hun franchisegever onjuiste c.q. onvolledige informatie had verstrekt ten tijde van het ondertekenen van de franchiseovereenkomsten. De franchisenemers vernietigden vervolgens de franchiseovereenkomsten op grond van dwaling en bedrog. Zij stapten naar de rechtbank en vroegen de rechter om te oordelen dat de franchisegever onrechtmatig jegens hen had gehandeld. De franchisegever, op haar beurt, vroeg de rechter om de ex-franchisenemers te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding vanwege contractbreuk. De rechtbank stelde de ex-franchisenemers in het gelijk, vernietigde de franchiseovereenkomsten en verklaarde voor recht dat de franchisegever onrechtmatig had gehandeld. De vorderingen van de franchisegever werden afgewezen.

De franchisegever legde zich niet neer bij dit oordeel en ging in hoger beroep bij het gerechtshof. Kort na het indienen van haar beroepschrift ging de franchisegever echter failliet en werd de procedure ten aanzien van de vorderingen van de franchisenemers op de franchisegever stilgelegd (geschorst). De franchisenemers vroegen om ontslag van instantie, zodat dat deel van de zaak kon worden afgewikkeld, maar dat verzoek werd niet gehonoreerd. De curator van de failliete franchisegever droeg vervolgens de (vermeende) vorderingen van de franchisegever op de franchisenemers over op twee nieuwe partijen die verder zouden procederen. De franchisenemers dienden een verweerschrift in ten aanzien van de vorderingen van de failliete franchisegever. Er werd door de franchisenemers echter geen verweer gevoerd tegen de stellingen die de failliete franchisegever had ingenomen ten aanzien van hun eigen vorderingen, omdat die kwestie immers was stilgelegd. Bij pleidooi vroegen de franchisenemers wederom om ontslag van instantie aan de zijde van de franchisegever voor dat gedeelte van de procedure.

In haar eindarrest wees het gerechtshof nogmaals het verzoek om ontslag van instantie af. Verder vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de ex-franchisenemers, omdat zij – zie hiervoor – geen inhoudelijk verweer hadden gevoerd tegen de stellingen van de franchisegever. De vorderingen van de (opvolgers van de) failliete franchisegever werden om die reden toegewezen.

‘Ten onrechte’, oordeelt de Hoge Raad in cassatie ten gunste van de ex-franchisenemers (zie: ECLI:NL:HR:2019:1917 – klik hier voor het volledige arrest). De procedure ten aanzien van de vorderingen van de ex-franchisenemers zelf was immers stilgelegd vanwege het faillissement van de franchisegever. Verder hadden de franchisenemers tot tweemaal toe (tevergeefs) om ontslag van instantie gevraagd aan het hof ten aanzien van dit gedeelte van de procedure. Desalniettemin heeft het hof een eindoordeel gegeven, waarbij louter de stellingen van de franchisegever zijn gebruikt, zonder de ex-franchisenemers eerst in de gelegenheid te stellen alsnog te reageren op deze stellingen. Daarmee heeft het hof in de visie van de Hoge Raad het beginsel van ‘hoor en wederhoor’ geschonden. De zaak moet dan ook worden overgedaan bij een ander gerechtshof volgens de Hoge Raad.

Deze zaak toont aan dat het faillissement van een franchisegever voor de nodige kopzorgen kan zorgen, ook bij ex-franchisenemers. Wederom zullen zij genoodzaakt zijn om een (dure en langdurige) gerechtelijke procedure te voeren om te voorkomen dat zij alsnog enig geldbedrag moeten betalen aan de (opvolgers van de) failliete franchisegever. En dat terwijl hun eigen vorderingen waarschijnlijk hoe dan ook nimmer verhaalbaar zijn vanwege de failliete boedel. Niet iets om blij van te horen derhalve.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Voor het franchise vakblad Franchise+ heb ik onlangs een artikel geschreven over de Wet Franchise, meer specifiek over de regeling in het wetsvoorstel waardoor franchisegevers minder gemakkelijk wijzigingen kunnen doorvoeren in hun franchiseformule. In het artikel betoog ik dat franchisenemers uiteraard beschermd dienen te worden tegen (te) lichtvaardige wijzigingen in de formule, maar dat franchisenemers uiteindelijk ook niet gebaat zijn bij een franchiseformule die onvoldoende flexibiliteit heeft om de concurrenten op kortere en langere termijn het hoofd te bieden. Het volledige artikel is via deze link te raadplegen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

In veel franchiseovereenkomsten is een postcontractueel non-concurrentiebeding opgenomen. Dat is een beding dat de franchisenemer na het einde van de samenwerking verbiedt om gedurende een bepaalde periode in een bepaalde gebied concurrerende activiteiten te ontplooien. Aangezien een franchisenemer van een dergelijk beding de nodige hinder kan ondervinden, komt het met enige regelmaat voor dat een franchisenemer aan de civiele rechter vraagt om zo’n contractueel beding te vernietigen of te schorsen.

Zo ook een franchisenemer die in kort geding aan de voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant vroeg om een postcontractueel non-concurrentiebeding te schorsen (ECLI:NL:RBOBR:2019:5859 – klik hier voor de volledige uitspraak). Deze franchisenemer had enige jaren eerder een franchiseovereenkomst gesloten met een franchisegever. Tijdens het voortraject waren (kennelijk) bepaalde verwachtingen geschapen ten aanzien van de te behalen omzetten. In het ondernemersplan had de franchisenemer zelf een prognose opgesteld die met de franchisegever was besproken en er waren ook omzetten benoemd door de franchisegever die de franchisenemer minimaal diende te behalen. Eveneens stond er in de franchiseovereenkomst een postcontractueel non-concurrentiebeding dat de franchisenemer verbood om in een periode van 2 jaar na de beëindiging van de franchiseovereenkomst direct of indirect betrokken te zijn bij concurrerende activiteiten binnen Nederland.

Prognose-torpedo

De daadwerkelijk behaalde omzetten van de franchisenemer waren echter (aanzienlijk) minder dan de omzetten die eerder kennelijk waren benoemd. De franchisenemer vernietigde vervolgens de franchiseovereenkomst op grond van vermeend ondeugdelijke prognoses (dwaling). In kort geding werd vervolgens schorsing gevraagd van het postcontractuele non-concurrentiebeding. Aldus de franchisenemer was zij onjuist voorgelicht door de franchisegever over de redelijkerwijs te behalen omzetten en waren haar (te) rooskleurige omzetten in het vooruitzicht gesteld. Mede door de vernietiging kon de franchisegever geen aanspraak maken op het postcontractuele non-concurrentiebeding, aldus de franchisenemer. Feitelijk bracht de franchisenemer hiermee een prognose-torpedo in stelling.

De rechter oordeelt voorshands echter dat de franchisenemer dient te bewijzen dat er sprake is van een ondeugdelijke prognose die niet gebaseerd is op juiste uitgangspunten. Daarvan is volgens de rechter echter geen sprake, omdat niet in kort geding kan worden vastgesteld dat hetgeen de franchisegever aan informatie heeft verstrekt inderdaad ondeugdelijk is. De rechter vindt het voorshands op basis van de voorhanden stukken niet aannemelijk dat er sprake zou zijn van rechtsgeldig beroep op dwaling en laat het non-concurrentiebeding dan ook met rust. De ex-franchisenemer dient deze dan ook na te komen van de rechter, mede gezien het belang van de franchisegever om gevrijwaard te blijven van concurrentie. Het geeft wederom aan dat er niet (te) lichtvaardig moet worden gedacht over een postcontractueel non-concurrentiebeding door een franchisenemer.

Wet Franchise

De franchisegever trok in deze zaak dus aan het langste eind. Wel zal de franchisegever in de toekomst mogelijk haar postcontractuele non-concurrentiebeding moeten gaan aanpassen als het wetsvoorstel Wet Franchise op enig moment van kracht wordt. Zoals in een eerder artikel toegelicht, wil de Wet Franchise regelen dat een postcontractueel non-concurrentiebeding niet langer duurt dan één jaar en de geografische reikwijdte daarvan niet ruimer is dan het gebied dat de franchisenemer mocht exploiteren op grond van de franchiseovereenkomst. Het beding in deze zaak – twee jaar in geheel Nederland – voldoet daar uiteraard niet aan.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Voor het juridische tijdschrift ‘Contracteren’ heeft onze kantoorgenoot Jan-Willem Kolenbrander onlangs een artikel geschreven over een beroep op ondeugdelijke prognoses als afweermiddel tijdens een kort geding. In het artikel neemt Jan-Willem de stelling in dat een beroep door een franchisenemer op dwaling vanwege ondeugdelijke prognoses in kort geding een effectief middel kan zijn om vorderingen van de franchisegever buiten de deur te houden.

In het artikel wordt aan de hand van recente en minder recente rechtspreek besproken hoe dat in zijn werk gaat. Ook wordt er aandacht besteed aan de stappen die een franchisenemer kan zetten om een dergelijk verweer zo goed mogelijk in stelling te brengen, alsmede welke voorzorgsmaatregelen de franchisegever voor en tijdens het kort geding kan treffen om een dergelijk verweer zo veel mogelijk onschadelijk te maken.

Een bloemlezing van dit artikel is hier te raadplegen. Het volledige artikel is raadpleegbaar via deze link.

Na zijn rechtenstudie aan de Universiteit Leiden (afstudeerrichting Civiel recht) werkte Jan-Willem enkele jaren bij de grootste rechtsbijstandsverzekeraar van Nederland. Daar werd zijn interesse voor commerciële samenwerkingsverbanden – zoals agentuur en franchise – aangewakkerd. Na zijn overstap in 2008 naar de advocatuur richt Jan-Willem zich volledig op franchise en franchise-gerelateerde kwesties. Sinds 2012 werkt hij bij De Clercq als gespecialiseerd franchiseadvocaat. Verder ondersteunt Jan-Willem met zijn kennis en ervaring van litigation andere teams binnen kantoor, zoals het arbeidsrechtteam en het IT, IE en privacy team.

Voor het vakblad Franchise+ heeft onze kantoorgenoot Jan-Willem Kolenbrander een artikel geschreven over inspraak van franchisenemers binnen de franchiseformule. Jan-Willem betoogt dat franchisenemers enerzijds beschermd dienen te worden tegen al te drastische wijzigingen, maar hij wijst er anderzijds ook op dat de franchisegever voldoende beleidsvrijheid moet hebben om alle keuzes te maken die nodig zijn om franchiseformule toekomstbestendig te houden. De wetgever zal daar in zijn visie rekening mee moeten houden bij het opstellen van franchise wetgeving.

Het volledige artikel is hier te raadplegen.

Na zijn rechtenstudie aan de Universiteit Leiden (afstudeerrichting Civiel recht) werkte Jan-Willem enkele jaren bij de grootste rechtsbijstandsverzekeraar van Nederland. Daar werd zijn interesse voor commerciële samenwerkingsverbanden – zoals agentuur en franchise – aangewakkerd. Na zijn overstap in 2008 naar de advocatuur richt Jan-Willem zich volledig op franchise en franchise-gerelateerde kwesties. Sinds 2012 werkt hij bij De Clercq als gespecialiseerd franchiseadvocaat. Verder ondersteunt Jan-Willem met zijn kennis en ervaring van litigation andere teams binnen kantoor, zoals het arbeidsrechtteam en het IT, IE en privacy team.

Zaterdag 22 augustus 2019 is er in Het Financieele Dagblad een artikel van onze kantoorgenoot Jan-Willem Kolenbrander geplaatst over het Consultatieverslag Concept Wetsvoorstel Wet Franchise. Het artikel is hier te raadplegen.

Sinds 2014 wordt er gesproken over franchise wetgeving om de positie van franchisenemers in Nederland te versterken. De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat streeft er in ieder geval naar dat vóór het einde van 2019 een wetsvoorstel voor franchise wetgeving bij de Tweede Kamer ligt.

Dat blijkt uit het Consultatieverslag Concept Wetsvoorstel Wet Franchise dat onlangs is gepubliceerd door de overheid. Eén van de onderwerpen in het Consultatieverslag dat de aandacht trok, was de opmerking dat franchisezaken complex zijn met soms zeer grote financiële belangen. Om die reden zou de rechtbank, sector Civiel, volgens de overheid beter in staat zijn om franchisezaken te behandelen dan de rechtbank, sector Kanton. Jan-Willem benoemt in zijn artikel enkele redenen waarom die stelling in zijn visie te kort door de bocht is.

De overheid streeft er naar om het wetsvoorstel voor franchise wetgeving vóór het einde van 2019 bij de Tweede Kamer in te dienen. Het wetsvoorstel dat naar de Tweede Kamer zal worden gestuurd, zal op veel punten inhoudelijk afwijken van het wetsvoorstel dat eerder ter internetconsultatie was voorgelegd aan een ieder. Dat blijkt uit het recent gepubliceerde ‘Consultatieverslag concept wetsvoorstel Wet Franchise’, dat via deze link is te raadplegen.

Naar aanleiding van de vele reacties op de internetconsultatie zijn, onder andere, definities aangepast en aangescherpt in het voorstel. Zo zijn, aldus het verslag, de precontractuele informatieverplichtingen preciezer geformuleerd teneinde tegemoet te komen aan de vrees van sommige franchisegevers dat op basis van het eerdere wetsvoorstel er onvoldoende zekerheid kon worden verkregen of aan deze informatieverplichtingen was voldaan. Formuleringen in het wetsvoorstel zijn, aldus het verslag, waar mogelijk meer in lijn gebracht met de terminologie die franchisegevers en franchisenemers herkennen.

Ook zijn in het nieuwe wetsvoorstel de verplichtingen ten aanzien van de inhoud van de franchiseovereenkomst ingeperkt en zijn enkele inhoudelijke voorwaarden vervallen. Aldus het verslag is eveneens de bepaling over goodwill verduidelijkt en is de werking beperkt tot de situatie waarin de franchisegever diegene is die de franchiseonderneming na beëindiging van de franchiseovereenkomst overneemt.

Daarnaast zijn er aanpassingen gedaan ten aanzien van de bepaling dat de franchisegever verplicht om in bepaalde situaties toestemming van de franchisenemers te vragen voordat er wijzigingen in de formule of exploitatie kunnen worden doorgevoerd. De nieuwe bepaling brengt nu expliciet tot uitdrukking dat de franchisegever bepaalde ‘grenswaarden’ kan stellen waarbinnen zij zonder overleg (en toestemming) dergelijke wijzigingen kan doorvoeren. Daarnaast is het in het nieuwe wetsvoorstel niet meer noodzakelijk dat een twee-derde meerderheid van het vertegenwoordigend orgaan van de franchisenemers akkoord gaat: kennelijk volstaat in het nieuwe voorstel al een ‘gewone’ meerderheid.

De suggestie die is gedaan om de Wet Franchise geen dwingend recht te maken, maar regelend recht waarvan partijen contractueel kunnen afwijken, wordt niet overgenomen. Aldus het verslag is deze suggestie niet overgenomen, ‘omdat dit de beoogde bescherming van het wetsvoorstel voor franchisenemers zou wegnemen.’

Heeft u vragen over franchise of franchisewetgeving? Neem contact op met Jan-Willem Kolenbrander.

Het is nu vijf jaar geleden dat de Tweede Kamer het voorstel van onze kantoorgenoot Jan-Willem Kolenbrander in het Nederlandse Juristenblad heeft opgemerkt om wetgeving omtrent de franchiseovereenkomst in overweging te nemen. Onlangs hebben staatssecretaris Mona Keijzer van Economische Zaken en Klimaat en minister Sander Dekker voor Rechtsbescherming een wetsvoorstel gestuurd naar de Raad van State.

In zijn artikel doet Jan-Willem voorstellen hoe franchise wetgeving eruit zou kunnen komen te zien. Ziet hij die voorstellen terug in het huidige wetsvoorstel? ‘Ja en nee’, zegt Jan-Willem daarover. ‘In het huidige wetsvoorstel zie ik inderdaad diverse punten van mijn artikel, maar zie ik ook dat de wetgever op andere vlakken aanzienlijk verder gaat’ aldus Jan-Willem.

Indien u vragen heeft over franchise of de aankomende franchise wetgeving kunt u contact opnemen met Jan-Willem Kolenbrander.