Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
FranchiserechtOndernemingsrecht

Wijzigen inkoopprijzen en fee structuur

Jan-Willem Kolenbrander

17 april 2020 - 5 minuten leestijd

Onlangs heeft een kort geding rechter geoordeeld dat een franchisegever niet gerechtigd is om éénzijdig de inkoop- en verkoopprijzen van de formule-producten te wijzigen. Verder oordeelt de rechter onder meer dat een éénzijdige wijziging van de franchise fee of fee-structuur waarschijnlijk ook niet toelaatbaar is. Ondanks dat er in de franchiseovereenkomst bepalingen waren opgenomen op grond waarvan wijzigingen en ontwikkelingen binnen de formule mogelijk leken te zijn.

In een recente kwestie bij de Rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2020:1198 – klik hier voor het volledige vonnis) vroegen de franchisenemers aan de kort geding rechter om hun franchisegever te verbieden om onder meer de inkoop- en verkoopprijzen van de te verkopen maaltijden te verhogen. Het betrof hier een franchiseformule waarbij de franchisenemers gekoelde verse maaltijden bij particulieren aan huis bezorgen, met name ouderen en hulpbehoevenden. Daarnaast had de franchisegever onder meer plannen kenbaar gemaakt om de bestaande franchise fee-structuur te wijzigen, hetzij door de vaste maandelijkse franchise fee te verhogen, dan wel om over te stappen van een vaste maandelijkse fee per maand naar een omzet-gerelateerde fee. Ook daarmee waren de franchisenemers niet akkoord.

Verhogen inkoop- en verkoopprijzen en wijzigen fee structuur

Klaarblijkelijk kochten de franchisenemers al hun maaltijden in bij de franchisegever. Zouden de inkoopprijzen navenant stijgen, dan zouden de franchisenemers dientengevolge ook hun verkoopprijzen moeten verhogen. Met het niet te verwaarlozen risico dat hun klanten zouden afhaken. De doelgroep van de formule – te weten ouderen en hulpbehoevenden – hebben doorgaans immers een krappe portemonnee. Alternatief zouden de franchisenemers mogelijk de stijging van de inkoopprijzen voor eigen rekening moeten nemen met als gevolg een verslechtering van hun verdienmodel.

De franchisenemers erkenden dat een indexering van de inkoopprijzen mogelijk was op grond van de franchiseovereenkomst, maar deze stijging zou “niet uitstijgen boven de stijging van het consumenten prijs index voor voedingsmiddelen en alcoholvrije dranken, vastgesteld door het Centraal Bureau van de Statistiek”. De voorgenomen aanpassingen van de franchisegever kwamen daar kennelijk wél bovenuit en waren dus niet toegestaan, aldus de franchisenemers.

Ten aanzien van de éénzijdige aanpassing van de franchise fee vreesden de franchisenemers dat zij maandelijks meer geld kwijt zouden zijn door de deelname aan de formule waardoor hun verdienmodel onder druk zou komen te staan.

De franchisegever was van mening dat zij deze wijzigingen éénzijdig kon doorvoeren. Zo was onder meer in de franchiseovereenkomst geregeld dat “Franchisegever kan de Franchiseformule wijzigen” en “De Franchisegever zal (zo nodig) de Franchiseformule verder ontwikkelen (…) Franchisenemer is verplicht de wijzigingen door te voeren”. Aldus de franchisegever was hier sprake van voorgenomen wijzigingen en/of ontwikkelingen in de franchiseformule die door de franchisenemers geaccepteerd moesten worden. Ook zouden deze aanpassingen noodzakelijk zijn om de continuïteit van de formule te waarborgen.

Wijzigingen niet toegestaan aldus de rechter

De kort geding rechter beoordeelt de franchiseovereenkomsten en bekijkt of de door partijen gemaakte afspraken inderdaad met zich meebrengen dat de franchisegever éénzijdig de inkoop- en verkoopprijzen mag verhogen, dan wel of zij éénzijdig de fee-structuur mag aanpassen.

Inkoop- en verkoopprijzen

Voor wat betreft de verhoging van de inkoop- en verkoopprijzen overweegt de rechter dat de vaststelling van de inkoop- en verkoopprijzen, alsmede de gevolgen daarvan voor de winstmarges, een belangrijke rol kan spelen voor een franchisenemer bij het aangaan van een franchiserelatie. Op basis hiervan zal een franchisenemer immers kunnen bepalen welk financieel risico er wordt gelopen bij de inkoop en ook kan er een inschatting worden gemaakt of de verkoopprijzen zullen worden geaccepteerd door klanten.

Aldus de rechter is het om die reden van belang dat de franchiseovereenkomst helderheid biedt over de mogelijkheden van het verhogen van de inkoop- en verkoopprijzen. Het is volgens de rechter aan de franchisegever om de benodigde helderheid daarover te verstrekken. Op grond van de franchiseovereenkomst is de rechter voorshands van mening dat de verhoging van inkoop- en verkoopprijzen niet mag uitstijgen boven de consumenten prijsindex en dat de franchisegever grotere prijswijzigingen niet éénzijdig mag doorvoeren. De algemene bepalingen, die de franchisegever de bevoegdheid geven om de formule te wijzigen en te ontwikkelen, zijn daarvoor te ruim omschreven en dus onvoldoende, aldus de rechter. Hoewel de franchiseovereenkomst kennelijk niets meldt over verkoopprijzen (alleen inkoopprijzen), is de rechter dus voorshands kennelijk van mening dat de betreffende bepaling over de indexering van inkoopprijzen op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid ook van toepassing is op verkoopprijzen.

Fee structuur

De discussie over de éénzijdige verhoging van de vaste franchise fee, dan wel de wijziging van de franchise fee structuur van een vaste naar een omzet gerelateerde fee, wordt in dit kort geding niet geslecht. Omdat de franchisegever had aangegeven dat zij – in tegenstelling tot de wijziging van de inkoop- en verkoopprijzen – niet voornemens was om deze wijziging op korte termijn door te voeren, was er (nog) geen spoedeisend belang aan de zijde van de franchisenemers. De kort geding rechter behoeft bij gebreke van een spoedeisend belang dan ook niet over dit punt te oordelen. Wel merkt de rechter voorshands op dat een redelijke uitleg van de franchiseovereenkomst met zich meebrengt dat de franchisegever niet gerechtigd zou zijn om éénzijdig de (vaste) franchise fee te veranderen in een omzet gerelateerde (variabele) franchise fee.

Mededingingsrechtelijke component

Hoewel daar in deze uitspraak weinig woorden aan vuil worden gemaakt, zitten er in deze kwestie natuurlijk ook de nodige mededingingsrechtelijke componenten. In beginsel moeten franchisenemers immers in staat zijn om hun eigen verkoopprijzen te bepalen en mag een franchisegever geen minimumprijzen opleggen aan franchisenemers. Maximumprijzen ter bescherming van de formule zijn doorgaans wel toegestaan en de franchisegever mag ook adviesprijzen verstrekken aan de franchisenemers voor zover het échte adviezen betreffen en geen (verkapte) prijsbinding.

In deze zaak worden de door de franchisegever aangegeven inkoop- en verkoopprijzen kennelijk als “adviesprijzen” gepresenteerd. Echter, uit het feit dat de franchisenemers ook ageren tegen het opleggen van hogere verkoopprijzen – en dus niet alleen de inkoopprijzen – doet vermoeden dat deze ‘advies verkoopprijzen’ kennelijk iets minder vrijblijvend zijn dan de term wellicht doet vermoeden. En dat de afspraken in de franchiseovereenkomst om die reden mogelijk in strijd zijn met de Mededingingswet. Maar goed, gezien de beperkte omvang van de formule is het natuurlijk zeer de vraag of dergelijke (verboden) afspraken uiteindelijk ook merkbaar zijn.

Kortom

Hoewel voorgaand oordeel een voorshandse beoordeling betreft in een kort geding-procedure blijkt uit deze kwestie wel dat het zonder specifiek daarop toegespitste contractuele afspraken in de franchiseovereenkomst niet eenvoudig is voor een franchisegever om wezenlijke wijzigen door te voeren in de franchise relatie. Algemene bepalingen die globaal wijzigingen toestaan, blijken daarvoor niet concreet genoeg te zijn. Om wel het beoogde resultaat te bereiken, dient een concrete bevoegdheid voor het wijzigen van – bijvoorbeeld – de inkoopprijzen of (het systeem van) de franchise fee opgenomen te worden in de franchiseovereenkomst.

Echter, daarmee is de spreekwoordelijke kous nog niet af, want indien het wetsvoorstel terzake van de Wet Franchise op enig moment van kracht wordt (zie ook deze blog) dan is ook een concreet op de wijziging toegespitste bepaling niet afdoende. De (concepttekst van de) Wet Franchise vereist immers dat bij (wezenlijke) wijzigingen van de spelregels van de franchise-samenwerking een meerderheid van de franchisenemers daarmee akkoord moet gaan voordat het kan worden doorgevoerd. Dus zelfs als er een specifieke bepaling daartoe in de franchiseovereenkomst is opgenomen. Dat beperkt uiteraard (verder) de mogelijkheden van franchisegevers om verregaande wijzigingen door te voeren in de franchise. Het complexe spanningsveld tussen enerzijds het belang van de franchisenemers om gevrijwaard te blijven van (te) grote wijzigingen en anderzijds het belang van de franchisegever om haar formule toekomstbestendig te maken (en houden) wordt daardoor uiteraard nog complexer.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht