Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
FranchiserechtOndernemingsrecht

‘Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is…een non-concurrentiebeding’

Jan-Willem Kolenbrander

12 november 2020 - 3 minuten leestijd

Binnenkort is Sinterklaas weer in Nederland en zal de goedheiligman weer de nodige kinderhanden voorzien van het nodige snoepgoed. Snoepgoed, zoals natuurlijk overheerlijke pepernoten. Pepernoten – of beter gezegd een verbod op de verkoop van pepernoten – was onlangs de inzet van een kort geding tussen een franchisegever en een franchisenemer. Maar mocht de franchisegever eigenlijk wel een beroep doen op het non-concurrentiebeding?

In de betreffende kwestie (ECLI:NL:RBGEL:2020:5763klik hier voor het volledige vonnis) hadden een franchisegever en franchisenemer (via een besloten vennootschap) een franchiseovereenkomst met elkaar gesloten. Op grond van die overeenkomst mocht de franchisenemer onder de naam ‘De Pepernotenfabriek’ in een bepaald rayon pop-up stores exploiteren waar niet minder dan 60(!) verschillende smaken en soorten pepernoten werden verkocht. Voor het (uitgebreide) rayon was een bepaalde exclusiviteit afgesproken die inhield – geparafraseerd – dat de franchisegever geen andere franchisenemers mocht toelaten tot het rayon, tenzij er sprake was van tekortkomingen aan de zijde van de franchisenemer.

Medio 2020 werden er door de franchisegever toch twee andere franchisenemers toegelaten in het rayon. Aldus de franchisegever had zij dat recht, omdat er sprake zou zijn van tekortkomingen aan de zijde van de franchisenemer. De franchisenemer betwistte dat en stelde op zijn beurt dat de franchisegever juist in strijd handelde met de franchiseovereenkomst door zomaar twee andere franchisenemers toe te laten in zijn rayon. De franchisegever zegde vervolgens de overeenkomst op terwijl de franchisenemer deze overeenkomst ontbond vanwege de gestelde inbreuk op het exclusieve rayon.

Enige tijd later opende de vriendin van de directeur van de (inmiddels) ex-franchisenemer een pepernotenwinkel. Ook opende zij een pepernotenwinkel op dezelfde locatie als waar de ex-franchisenemer eerder zijn winkel exploiteerde. De franchisegever was er van overtuigd dat de ex-franchisenemer hierbij betrokken was en daarmee het postcontractuele non-concurrentiebeding overtrad. Een beding dat de ex-franchisenemer verbood om na het einde van de franchise gedurende een periode van twee jaar in het rayon direct of indirect soortgelijke activiteiten te ontplooien. De franchisegever vroeg in kort geding daarom onder meer aan de rechter om sluiting van alle pepernotenwinkels en een verbod op de ex-franchisenemer te leggen om het non-concurrentiebeding te overtreden.

Volgens de kortgedingrechter is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat de ex-franchisenemer, al dan niet via de vennootschap van de vriendin, de pepernotenwinkels exploiteert. De rechter gaat dan ook mee in de stelling dat de ex-franchisenemer geen zeggenschap of bemoeienis (ook niet financieel) heeft bij die winkels. De vordering tot sluiting van die winkels wordt dan ook afgewezen.

De ex-franchisenemer zelf kan volgens de rechter wel gehouden worden aan het postcontractuele non-concurrentiebeding en mag om die reden gedurende een periode van twee jaar geen soortelijke activiteiten ontplooien in het rayon. Ook al zou de stelling van deze ex-franchisenemer – te weten dat er sprake was van een inbreuk op zijn exclusieve rayon – door de bodemrechter worden gevolgd, dan zou dat volgens de voorzieningenrechter niet zonder meer betekenen dat de ex-franchisenemer bevrijd is van het postcontractuele non-concurrentiebeding.

Hoewel uit het vonnis helaas niet duidelijk uit de verf komt in hoeverre er inderdaad sprake is van een inbreuk op het exclusieve rayon van de ex-franchisenemer, dan wel dat de franchisegever – met een beroep op de ‘tenzij’-clausule in franchiseovereenkomst – gerechtigd was om de twee franchisenemers toe te laten tot dat rayon, dient voorgaand oordeel iets genuanceerder te zijn. Mocht immers blijken dat de voortijdige beëindiging van de franchiseovereenkomst voornamelijk te wijten is aan de franchisegever vanwege diens wanprestatie dan zou het – zie ook eerdere rechtspraak – op grond van de redelijkheid en billijkheid ‘onaanvaardbaar’ kunnen zijn dat de franchisegever een beroep toekomt op een non-concurrentiebeding. De (eventuele) tekortkoming van de franchisegever is in dat kader dus relevanter dan het vonnis doet blijken.

Afsluitend nog een opmerking over de aard en omvang van het postcontractuele non-concurrentiebeding in deze franchiseovereenkomst. Zoals bekend (zie ook deze blog) wordt per 1 januari a.s. de Wet Franchise van kracht. In deze wet is bepaald dat een postcontractueel non-concurrentiebeding alleen rechtsgeldig is, als: i) het op schrift is gesteld, ii) de beperking tot uitoefening van werkzaamheden enkel betrekking heeft op goederen of diensten die concurreren met de goederen of diensten waarop de franchiseovereenkomst betrekking heeft, iii) de beperking onmisbaar is om de door de franchisegever aan de franchisenemer overgedragen knowhow te beschermen, iv) het de duur van één jaar na het einde van de franchiseovereenkomst niet overschrijdt, en v) de geografische reikwijdte niet ruimer is dan het gebied waarbinnen de franchisenemer de franchiseformule op grond van de betreffende franchiseovereenkomst heeft geëxploiteerd. Het onderhavige non-concurrentiebeding lijkt hieraan echter niet te voldoen, omdat het niet alleen toeziet op dezelfde goederen en diensten, maar ook op soortelijke goederen en diensten (zie punt ii). Daarnaast duurt het beding twee jaar in plaats van één jaar (zie punt iv). Een aanpassing van dit beding is dan ook noodzakelijk.

Een kinderhand is snel gevuld, maar in hoeverre dat ook geldt voor deze partijen? Wij houden u uiteraard op de hoogte en wensen u alvast een prettig Sinterklaasfeest met uiteraard veel pepernoten!

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Ook interessant?