Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Overzicht Delen

Wat weegt zwaarder bij aanbestedingen, het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel?

Per van der Kooi

10 maart 2021 - 2 minuten leestijd

Een aanbestedende dienst handelt in strijd met zijn eigen aanbestedingsleidraad. Wegens het ontbreken van een bewijsstuk had een inschrijving terzijde moeten worden gelegd. De aanbestedende dienst stelt de winnende inschrijver in de gelegenheid het ontbrekende stuk alsnog in te dienen. Nadat die dat gedaan heeft wordt de voorlopige gunningsbeslissing alsnog ingetrokken en wordt de bewuste inschrijving alsnog terzijde gelegd. Wat gaat nu voor, het gelijkheidsbeginsel (dat bepaalt dat inschrijvers gelijk moeten worden behandeld) of het vertrouwensbeginsel (wanneer de overheid het vertrouwen wekt een bepaalde beslissing te zullen nemen, kan de overheid op basis van dit beginsel verplicht zijn die toezegging na te komen)?

De Staat (de Koninklijke Landmacht) heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het sluiten van een raamovereenkomst voor de inhuur van tentaccommodaties en accessoires. In de aanbestedingsleidraad is bepaald dat het niet aanleveren van gevraagde bewijsstukken leidt tot uitsluiting van de inschrijving.

Een van de inschrijvers heeft in een bijlage bij haar Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) verklaard dat zij niet beschikt over het gevraagde VCA-certificaat. Zij kondigt aan dat op korte termijn te zullen aanvragen. De Staat heeft deze inschrijver daarop in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 15 mei 2020 de aanvraag en ondertekende referentieopdrachten aan te leveren, hetgeen de inschrijver tijdig doet. De Staat laat vervolgens weten dat de bewuste inschrijving is aangemerkt als de economisch meest voordelige inschrijving en dat hij voornemens is de opdracht aan deze inschrijver te gunnen.

De Staat heeft vervolgens, naar aanleiding van een door een andere inschrijver aanhangig gemaakt kort geding, besloten de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken. Weer later heeft de Staat aan de inschrijver bericht dat hij haar inschrijving als ongeldig terzijde legt en voornemens is de opdracht aan een ander te gunnen.

De inschrijver maakt vervolgens zelf een kort geding aanhangig en stelt dat de Staat het vertrouwen heeft gewekt dat het aanvankelijke gunningsvoornemen in stand zou blijven. Hierdoor is volgens inschrijver tevens sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de Staat de inschrijving van inschrijver op goede gronden alsnog ongeldig heeft verklaard en de opdracht vervolgens voorlopig aan een ander heeft gegund. Blijkens de aanbestedingsleidraad diende door inschrijvers met de inschrijving een geldig VCA-certificaat dan wel een gelijkwaardig certificaat te worden overgelegd. Uit die leidraad volgt ook dat het hier gaat om een geschiktheidseis, die met uitsluiting van de inschrijver is gesanctioneerd. Omdat de inschrijver bij zijn inschrijving geen VCA-certificaat en evenmin een vergelijkbaar certificaat heeft overgelegd, had haar inschrijving om die reden terstond ongeldig moeten worden verklaard.

Het is volgens de rechter zeer ongelukkig dat de inschrijver nog in de gelegenheid is gesteld om haar VCA-certificaataanvraag en ondertekende referentieopdrachten aan te leveren en dat de opdracht aanvankelijk voorlopig aan haar is gegund, de Staat was echter, nadat hem was gebleken dat door inschrijver niet aan de desbetreffende geschiktheidseis werd voldaan, op grond van het gelijkheidsbeginsel gehouden de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en de inschrijving alsnog ongeldig te verklaren. Het gelijkheidsbeginsel prevaleert boven het eventueel met de aanvankelijke voorlopige gunningsbeslissing bij inschrijver gewekte vertrouwen dat de opdracht te zijner tijd daadwerkelijk aan haar zou worden gegund.

Per van der Kooi

Advocaat aanbestedingsrecht