Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
FranchiserechtOndernemingsrecht

Vaste rechtspraak over prognoses ook van toepassing op ‘IKEA-prognose’

Jan-Willem Kolenbrander

3 juli 2020 - 3 minuten leestijd

Inleiding

Het doel van een franchiseformule is doorgaans om een zo groot mogelijk distributienetwerk te creëren. Om dat te kunnen realiseren moeten natuurlijk nieuwe kandidaat-franchisenemers geworven worden door de franchisegever. Hoewel de franchisegever daartoe niet verplicht is, zal zij bij het werven toch vaak gebruik maken van prognoses. Maar is er ook sprake van een prognose als de franchisenemer zelf een rekenmodel invult die is aangereikt door de franchisegever? De vraag of de vaste rechtspraak over prognoses ook van toepassing is op dergelijke ‘IKEA-prognoses’ kwam onlangs aan bod bij het Gerechtshof Den Bosch.

Prognose! Prognose! Prognose!

Een prognose betreft een gedetailleerd financieel document waarin door de franchisegever een omzet- en/of resultaatsverwachting wordt gegeven voor de komend jaren als een kandidaat-franchisenemer zou besluiten om toe te treden tot de formule. Een dergelijke prognose kan onder diverse namen verstrekt worden, zoals ‘Exploitatieprognose’, ‘Financiële raming’, ‘Exploitatiebegroting’, ‘Vooruitzicht’, ’Taakstelling’, Exploitatie model’, et cetera.

Een prognose betreft weliswaar geen garantie voor de toekomst, maar moet de kandidaat-franchisenemer wel een redelijke inschatting kunnen geven van de financiële (on)mogelijkheden van de te exploiteren franchise. En dat is precies wat een kandidaat-franchisenemer wil weten vóór het sluiten van de franchiseovereenkomst: welke omzetten en/of resultaten kunnen er redelijkerwijs behaald worden door deelname aan deze formule? Uiteindelijk moet er immers ook brood op het plan komen!

Volgens vaste rechtspraak moet een franchisegever er van uitgaan (en er dus ook op bedacht zijn) dat een kandidaat-franchisenemer bij zijn beslissing om al dan niet met haar in zee te gaan vaak grote waarde toekent aan een dergelijke prognose. De franchisegever dient de prognose dan ook te baseren op zorgvuldig en deugdelijk onderzoek, zoals bij voorkeur een zorgvuldig uitgevoerd vestigingsplaatsonderzoek (‘VPO’). De prognose moet waarde hebben voor de toekomst en het uitgangspunt is dat de franchisegever dient in te staan voor de juistheid en deugdelijkheid van de prognose.

Is er sprake van een betrouwbaar ogende prognose dan mag de kandidaat-franchisenemer daar in beginsel ook op vertrouwen. Hij is dan niet verplicht om nog zelf onderzoek te doen naar de (on)deugdelijkheid van de prognose. Dat geldt volgens vaste rechtspraak ook als er (bijvoorbeeld) ‘Schatting’, ‘CONCEPT’, ‘Aan dit stuk mogen geen rechten worden verbonden’ of ‘Franchisenemer is zelf verantwoordelijk om deze gegevens te toetsen’ op de prognose staat vermeld.

Blijkt achteraf dat een door de franchisegever verstrekte prognose niet deugdelijk is dan kan de benadeelde franchisenemer in bepaalde gevallen de franchiseovereenkomst vernietigen op grond van dwaling en een schadevergoeding vorderen (klik hier voor extra informatie).

Als het loopt en kwaakt als een eend…

In een recente uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2020:1809 – klik hier voor de hele uitspraak) had de franchisegever tijdens de eerste gesprekken met een kandidaat-franchisenemer een rekenmodel verstrekt. Door enkele gegevens in het bijbehorende rekenmodel in te vullen kon de kandidaat-franchisenemer zijn persoonlijke omzetprognose berekenen voor de eerste vijf jaar exploitatie. Dat was voor deze franchisenemer een omzet van € 88.000 in het eerste jaar en bleek voldoende aanleiding om te contracteren met de franchisegever. Deze omzet werd bij lange na echter niet behaald door de franchisenemer. 

In de gerechtelijke procedures die volgden tussen partijen stond onder meer de vraag centraal of er wel sprake was van ‘een prognose’ in de zin van de vaste rechtspraak. Volgens de franchisegever was er geen sprake van een prognose doch slechts van een ‘beredeneerde aanname’. Was de vaste rechtspraak omtrent prognoses wel van toepassing op dergelijke rekenmodellen die door de franchisenemer zelf worden ingevuld?

Het Gerechtshof Den Bosch vindt van wel en constateert dat het rekenmodel – dat de franchisegever aan de kandidaat-franchisenemer heeft verstrekt – na het invullen van enkele gegevens een indicatie geeft van de omzet die door de betreffende franchisenemer zou kunnen worden behaald met de exploitatie van de franchise. Het rekenmodel heeft dan ook de strekking van een prognose op grond waarvan de voornoemde (vaste) rechtspraak daarop eveneens van toepassing is. Het feit dat de franchisenemer zelf de gegevens heeft ingevuld om tot een prognose te kunnen komen, blijkt niet relevant; de franchisegever is de opsteller van het rekenmodel en om die reden voor een zeer groot deel verantwoordelijk voor de uitkomsten die bij eruit komen ‘rollen’.

Kortom

Zelfs een zogenaamde ‘IKEA-prognose’ – waarbij de kandidaat-franchisenemer zelf gegevens invult in een door de franchisegever opgesteld rekenmodel – kan gezien worden als ‘een prognose’, zoals bedoeld in (vaste) rechtspraak. Mits het een voldoende gedetailleerd financieel document betreft met een inschatting van de te behalen omzetten en/of resultaten kan een eventuele ondeugdelijkheid dan worden toegerekend aan de franchisegever. Dat betekent dus dat de vaste rechtspraak over prognoses een ruime toepassing kent, ruimer dan wellicht op het eerste gezicht blijkt, zodat franchisegevers daarop beducht moeten zijn bij het werven van franchisenemers.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Ook interessant?