Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Overzicht Delen
Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Uberchauffeurs zijn toch geen ondernemers, maar werknemers!

Jaouad Seghrouchni

14 september 2021 - 5 minuten leestijd

Gisteren hebben drie kantonrechters van de Rechtbank Amsterdam zich uitgelaten over de vraag of chauffeurs die voor Uber werkzaamheden verrichten bij haar in dienst zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Volgens Uber waren zij zelfstandig ondernemers. Maar is dat wel terecht? Vakbond FNV, die de zaak heeft aangespannen, vindt dat de chauffeurs moeten worden gezien als werknemers en dus vallen onder de CAO Taxivervoer. Een interessante kwestie, aangezien een conclusie dat sprake is van een arbeidsovereenkomst behoorlijk wat arbeidsrechtelijke gevolgen met zich meebrengt.

Definitie arbeidsovereenkomst

Op grond van artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek (BW) is sprake van een arbeidsovereenkomst indien de ene partij (de werknemer) zich verplicht om in dienst van de andere partij (de werkgever) gedurende een zekere tijd arbeid te verrichten tegen loon. Voor de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst zijn met name de volgende elementen van belang: ‘arbeid’, ‘loon’, ‘gezagsverhouding’ (in dienst van) en ‘gedurende zekere tijd’.

De Hoge Raad heeft eind vorig jaar al geoordeeld dat bij de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst twee fasen dienen te worden onderscheiden: i) de uitlegfase en ii) de kwalificatiefase. In de uitlegfase wordt op basis van de Haviltex-maatstaf vastgesteld wat partijen zijn overeengekomen. De Haviltex-maatstaf houdt in dat gekeken moet worden naar de betekenis die partijen mochten toekennen aan wat er is afgesproken op basis van wat zij van elkaar mochten verwachten. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de gegeven omstandigheden. In de kwalificatiefase dienen de vastgestelde afgesproken rechten en plichten vervolgens te worden getoetst aan de definitie van de arbeidsovereenkomst, zoals opgenomen in artikel 7:610 BW ofwel wat is er feitelijk in wezen aan de hand.

Het voorgaande betekent dat ook al meenden partijen aanvankelijk geen arbeidsovereenkomst te hebben gesloten, achteraf toch kan worden geconcludeerd dat daarvan sprake is. Deze vaststelling brengt arbeidsrechtelijke gevolgen met zich mee. Immers, in dat geval kan aanspraak worden gemaakt op bijvoorbeeld minimumloon, vakantiegeld, minimumaantal vakantiedagen, loondoorbetaling tijdens ziekte, ontslagbescherming en ook de CAO verplichtingen voor werkgevers.

Rechtbank Amsterdam

Op basis van de wet en bovengenoemde uitspraak van de Hoge Raad hebben de kantonrechters wat partijen zijn overeengekomen getoetst aan de elementen ‘arbeid’, ‘loon’ en ‘gezagsverhouding’.

Arbeid

Ten aanzien van het element ‘arbeid’ stellen de drie kantonrechters vast dat de chauffeurs arbeid verrichten door passagiers via de Uberapp te vervoeren. Voor de kantonrechters is tevens relevant dat de vervoersdiensten de kernactiviteiten van Uber vormen en dat een chauffeur een door hem of haar aanvaarde rit persoonlijk verricht.

Loon

Ook aan het element ‘loon’, de tegenprestatie voor het verrichten van arbeid, is volgens de kantonrechters voldaan. Zo ontvangen de chauffeurs een vergoeding voor een taxirit. Dat de vergoedingen door een andere entiteit (Uber Pay) wordt voldaan, is volgens de kantonrechters niet van belang. Datzelfde geldt voor de benaming die is gegeven aan de vergoeding.

In dienst van: gezagsverhouding

Dan het element ‘gezagsverhouding’. Dit element is vooral van belang, omdat dit de arbeidsovereenkomst het meest onderscheidt ten opzichte van andere overeenkomsten op basis waarvan arbeid wordt verricht (bijvoorbeeld een overeenkomst van opdracht).

Interessant is dat de kantonrechters bij het bepalen of sprake is van een gezagsverhouding aangeven dat in de ‘hedendaagse, door technologie beheerste tijd’ het criterium gezagsverhouding door een indirecte (vaak ook digitale) controle wordt ingevuld. Volgens de kantonrechters zijn werknemers tegenwoordig zelfstandiger geworden en kunnen zij hun werk uitvoeren op meer wisselende (zelf te bepalen) tijden. Volgens de kantonrechters is van deze ‘moderne gezagsverhouding’ in het geval van uber sprake. Dit heeft onder meer te maken met de volgende omstandigheden:

  • Chauffeurs kunnen zich alleen aanmelden bij Uber door gebruik te maken van de Uberapp.
  • De voorwaarden waaronder de Uberapp gebruikt dient te worden, zijn niet onderhandelbaar en kunnen eenzijdig door Uber worden aangepast. Daarbij geldt dat de (gewijzigde) voorwaarden door de chauffeurs moeten worden geaccepteerd om te kunnen (blijven) werken.
  • Het algoritme van de Uberapp bepaalt op welke wijze de ritten worden verdeeld (op basis van door Uber gestelde prioriteiten) en bepaalt welke chauffeur (als eerste) een rit krijgt aangeboden.
  • Uber stelt zelf de geschatte ritprijs vast op basis van een door haar geadviseerde route voor de desbetreffende rit.
  • Vanuit de Uberapp gaat er een disciplinerende werking uit aangezien chauffeurs een rating krijgen, hetgeen van invloed kan zijn op de toegang tot het platform van Uber en het krijgen van ritten. Een lage rating kan verwijdering van het platform tot gevolg hebben en een hogere rating kan leiden tot een hogere status (‘Platinum’ of ‘Diamond’). Een hogere status levert (financiële) voordelen op, zoals het eerder aangeboden krijgen van financieel aantrekkelijke ritten vanaf Schiphol.
  • Het regelmatig annuleren van ritten na acceptatie leidt tot uitsluiting van het gebruik van de Uberapp.
  • Ingeval van klachten van klanten beslist Uber zelf eenzijdig over de eventuele oplossing (bijvoorbeeld door het aanpassen van de ritprijs).

Met name de financiële stimulans en de disciplinerende en instruerende werking waar het algoritme van uitgaat, lijkt voor de kantonrechters doorslag te hebben gegeven dat sprake is van een gezagsverhouding en daarmee een arbeidsovereenkomst. Dat chauffeurs (tot op zekere hoogte) een rit kunnen weigeren, zelf hun uren mogen bepalen en voor concurrenten mogen werken, maakt dit niet anders. Immers, zodra chauffeurs ingelogd zijn in de Uberapp zijn zij onderworpen aan het algoritme dat Uber heeft ontworpen.

Conclusie: er is sprake van een arbeidsovereenkomst!

De kantonrechters concluderen dat de tussen Uber en de chauffeurs gesloten overeenkomsten als arbeidsovereenkomsten kwalificeren.

Daarnaast en als gevolg daarvan wordt geoordeeld dat Uber onder de CAO Taxivervoer valt en sommige chauffeurs daarom aanspraak maken op achterstallig loon. Ten slotte dient Uber aan FNV een schadevergoeding te betalen van in totaal EUR 50.000,- voor het niet nakomen van de CAO.

Uber heeft al aangekondigd in hoger beroep te gaan.

Gevolgen voor andere platforms?

Niet alleen in Nederland staat Uber in de schijnwerpers wat betreft de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Zo heeft de Cour de Cassation (de Franse Hoge Raad) in 2020 geoordeeld dat een Uberchauffeur moet worden gezien als een werknemer. De Supreme Court (Hoge Raad van het Verenigd Koninkrijk) heeft eerder dit jaar geoordeeld dat Uberchauffeurs ‘workers’ zijn. Dit is een categorie, die wij in Nederland niet kennen, tussen een werknemer en een zelfstandige in.

Het oordeel dat de chauffeurs van Uber werknemers zijn, betekent uiteraard niet dat voortaan over alle platformwerkers zal worden geoordeeld dat sprake is van werknemerschap. Zo zijn er verschillende soorten platforms waarbij het ene platform meer invloed (via een app en/of algoritme) uitoefent op de platformwerker dan een ander. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst zal het afhangen van alle omstandigheden van het geval waarbij in de ‘kwalificatiefase’ moet worden getoetst of hetgeen tussen partijen is afgesproken voldoet aan de bovengenoemde elementen uit artikel 7:610 BW en met name of sprake is van een gezagsverhouding.

Uber is in ieder geval niet het enige platform waarin een rechter zich heeft uitgelaten over de relatie tussen het platform en de platformwerker. Zo heeft het Gerechtshof Amsterdam eerder dit jaar geoordeeld dat de maaltijdbezorgers van Deliveroo werknemer zijn. Meer informatie en mogelijke implicaties van deze uitspraak kunnen worden geraadpleegd in mijn bijdrage voor het tijdschrift Bedrijfsjuridische berichten.

Daarnaast is de verwachting dat het Gerechtshof Amsterdam zich op korte termijn in hoger beroep zal uitlaten over de relatie tussen het schoonmaakplatform Helpling en haar platformwerkers. De Rechtbank Amsterdam oordeelde in 2019 nog dat tussen Helpling en haar platformwerkers geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
De kwalificatie van de relatie tussen een platformwerker en een platform, met name de bescherming van platformwerkers, is ook op Europees niveau zeer actueel. Zo is de Europese Commissie van de EU voornemens om platformwerk te reguleren, hetgeen is ingezet met een consultatieronde bij de Europese sociale partners begin dit jaar. Het is de verwachting dat in de loop van dit jaar hier meer duidelijkheid over zal komen.

Vragen?

Meer weten over dit onderwerp of vragen naar aanleiding van het bovenstaande? Neem dan gerust contact op.

Jaouad Seghrouchni, advocaat Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen en gespecialiseerd in flexibele arbeidsrelaties.

 

Ook interessant?