Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Tuchtrecht

Scherp geformuleerd of onnodig grievend?

Vera Balvers

20 april 2020 - 3 minuten leestijd

Een advocaat heeft in zijn werk een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt zo goed mogelijk te behartigen. Deze vrijheid is uiteraard niet onbeperkt. Gedragsregel 7 bepaalt dat de advocaat zich niet onnodig grievend uitlaat. Hoe zat dat ook alweer? Waar ligt de grens tussen een scherpe en een onnodig grievende opmerking?

Vrijheid advocaat

Bij de behandeling van de zaak en als vertolker van de standpunten van cliënt heeft de advocaat een grote vrijheid. Van die vrijheid moet hij bij de uitoefening van zijn beroep op behoorlijke wijze gebruikmaken en met inhoudelijke argumenten. De advocaat moet er voor waken dat daarbij derden onnodig worden gekwetst en geschaad.

De tuchtrechter stelt in het algemeen de vrijheid van de advocaat om op te komen voor de belangen van de cliënt voorop bij de beoordeling van een klacht op grond van gedragsregel 7. De vrijheid van meningsuiting geldt immers ook voor advocaten en de advocaat is partijdig. De bijzondere aard van het juridische beroep brengt wel mee dat het optreden van de advocaat in het openbaar discreet, eerlijk en waardig dient te zijn.

Belastende bewoordingen zijn onnodig grievend

Het Hof van Discipline komt in de volgende zaak tot het oordeel dat de advocaat zich in een door hem opgestelde dagvaarding onnodig grievend heeft uitgelaten (zie ECLI:NL:TAHVD:2019:189). De advocaat had in de dagvaarding onder meer de volgende passages opgenomen:

“12. [De G] wenste uiteraard niet mee te werken aan het plegen van fraude en/of het plegen van het misdrijf van valsheid in geschrifte, en heeft zijn vordering op [Van den B], uit hoofde van voornoemde financiering, in eerste instantie een beloop gegeven van € 180.000,- te vermeerderen met rente en kosten, uitdrukkelijk onder het voorbehoud zoals beschreven in positum 9 van deze dagvaarding, en overigens zonder overige aanspraken prijs te geven.

13. Daaropvolgend is door [Van den B] en diens advocaat [klager], getracht de heer [De G] te chanteren, door aan te geven dat indien de heer [De G] de tegen [Van den B] gerichte incassodagvaarding d.d. 29 februari 2016 voor de eerst dienende dag aan zou brengen bij de rechtbank, dan wel indien de heer [De G] het uiteindelijk op afgifte van een verstekvonnis tegen [Van den B] aan zou laten komen, [Van den B] dan wel diens advocaat [klager], de curator van het inmiddels failliete [V BV] zouden wijzen op de vermeend onverplichte betaling van € 120.000,- via [V BV] aan de heer [De G].

14. Voor de goede orde, de heer [G] stuurde simpelweg op nakoming van de gemaakte contractuele afspraken (zie productie 1 voornoemd), hetgeen uiteraard zijn goed recht was. Chantage viel hem echter ten deel.

15. Hoewel bewijslevering van voornoemde chantage en uitlokking tot het plegen van het misdrijf van valsheid in geschrifte strikt genomen niet noodzakelijk is om te kunnen komen tot toewijzing van de in deze dagvaarding besloten liggende vorderingen, wordt bewijs van één en ander voor zover vereist aangeboden. Aangezien het bewijs besloten ligt in de confraternele correspondentie, wordt de advocaat van de heer [B], [klager], bij deze verzocht toestemming te geven voor de overlegging van zijn e-mail berichtgeving aan de advocaat van [De G] d.d. 19 februari 2016 en d.d. 9 maart 2015.”

Het Hof van Discipline overwoog in dit verband dat, wat er ook zij van de verwijtbaarheid van het inhoudelijke voorstel van klager, de advocaat de kwestie niet in deze belastende bewoordingen had mogen adresseren in de dagvaarding. Voor zover de advocaat aan het volgens zijn cliënt gedane voorstel had willen refereren, had hij dat in neutralere bewoordingen moeten doen. Het Hof van Discipline vindt de gekozen bewoordingen extra kwalijk nu de beschuldigingen van ernstige strafbare feiten van de advocaat aan het adres van klager niet noodzakelijk waren ter onderbouwing van het standpunt van zijn cliënt.

De onderliggende uitspraak van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden waarin aan de advocaat een waarschuwing is gegeven wordt door het Hof van Discipline bekrachtigd (zie ECLI:NL:TADRARL:2019:117).

Hoe moet het dan wel?

Volgens het Hof van Discipline kan het volgende citaat in ieder geval niet als onnodig grievend worden aangemerkt, omdat de advocaat het standpunt van zijn cliënten zakelijk heeft weergegeven (zie ECLI:NL:TAHVD:2020:12):

“[klaagster] heeft een ontzegging ten aanzien van het binnentreden van het kantoor van cliënte in verband met het tweemaal creëren van een rel met scheldkanonnade en het gooien met deuren op genoemd kantoor. De verkoopmedewerkster van cliënte (…) werd uitgescholden voor o.a. “kankerhoer”. Dit soort gedrag en beledigingen van het personeel van cliënte accepteert zij niet. Daarnaast zijn er onregelmatigheden vastgesteld bij de elektrameter van het huisje van [klaagster].. (…) Een dergelijke persoon hoeft cliënte niet als gesprekspartner te accepteren.”

Het hof overwoog hierbij nog dat het door de advocaat hiervoor weergegeven standpunt van zijn cliënten ook geen stelling betrof waarvan hij wist of redelijkerwijs kon weten dat deze in strijd met de waarheid is.

Grijs gebied

Het is dus een vrij groot grijs gebied welke uitlatingen betamelijk zijn en welke niet en dus onnodig grievend. Tip: de advocaat doet er in het algemeen verstandig aan niet steeds de grenzen op te zoeken. Dat is meestal ook niet in het belang van de cliënt.

Vragen of overleg? Neemt contact op met Vera Balvers, advocaat Tucht- en klachtrecht

Ook interessant?