Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
FranchiserechtOndernemingsrecht

Relatiebeding in franchiseovereenkomst: wel of niet onder werking Wet franchise?

Jan-Willem Kolenbrander

17 september 2021 - 3 minuten leestijd

Zoals de trouwe lezers van de franchiseblogs van ondergetekende weten, is er over het postcontractueel non-concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst een hoop te vertellen (zie ook hier). Dat geldt te meer nu dergelijke bedingen sinds de invoering van de Wet franchise gebonden zijn aan de wettelijke regels van artikel 7:920 lid 2 Burgerlijk Wetboek (‘BW’). Maar geldt artikel 7:920 lid 2 BW daarnaast ook voor een relatiebeding?

Een postcontractueel non-concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst verbiedt een vertrekkende franchisenemer om gedurende een bepaalde periode (vaak: één jaar) in een bepaald gebied (vaak: het rayon) concurrerende activiteiten te ontplooien. Een franchisegever neemt een dergelijk beding doorgaans op in de franchiseovereenkomst om te voorkomen dat de door haar overgedragen kennis en kunde na het einde van de franchise ten goede komt aan concurrenten. Ook krijgt een nieuw te starten franchisenemer uiteraard geen eerlijke kans daar te starten als de ex-franchisenemer nog actief is in het gebied.

Sinds de invoering van de Wet franchise op 1 januari 2021 gelden er wettelijke regels waaraan een dergelijk non-concurrentiebeding dient te voldoen. Zo zijn in artikel 7:920 lid 2 BW diverse criteria genoemd waaraan een non-concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst dient te voldoen. Zo moet het non-concurrentiebeding onder meer op schrift zijn gesteld, beperkt zijn tot de werkzaamheden die betrekking hebben op de gefranchisede werkzaamheden, onmisbaar zijn om de overgedragen knowhow te beschermen, niet langer duren dan één jaar en geografisch niet ruimer zijn dan het gebied waarin de franchisenemer zijn franchise heeft uitgevoerd. Voor non-concurrentiebedingen in per 1 januari 2021 reeds bestaande franchiseovereenkomsten geldt overigens een overgangsperiode van 2 jaar: uiterlijk op 1 januari 2023 dienen deze bedingen aan de bepalingen van artikel 7:920 lid 2 BW te voldoen.

Een andere beperking voor een ex-franchisenemer betreft een relatiebeding. Waar bij een non-concurrentiebeding er sprake is van een verbod om bepaalde werkzaamheden uit te voeren, vloeit uit een relatiebeding een verbod voort om gedurende een bepaalde periode bepaalde relaties (klanten) te benaderen. Door een relatiebeding mag een ex-franchisenemer voor een bepaalde periode geen contact hebben met deze relaties. Het beperkt de ex-franchisenemer dus niet in welke werkzaamheden hij wil uitvoeren, alleen aan wie hij deze werkzaamheden kan aanbieden.

De vraag die gesteld kan worden, is in hoeverre artikel 7:920 lid 2 BW óók geldt voor relatiebedingen in een franchiseovereenkomst. Zo ja, dan dient een dergelijk relatiebeding ook te voldoen aan de Wet franchise. Een eerste antwoord op die vraag zou ‘nee’ kunnen zijn, omdat artikel 7:920 lid 2 BW toeziet op de beperking van werkzaamheden die de franchisenemer mag uitoefenen. De tekst van dit artikel impliceert dat ook. Daarnaast leent het geografische vereiste van artikel 7:920 lid 2 sub e BW zich niet zo goed voor een toepassing op een relatiebeding. Daarnaast blijkt er uit de Memorie van Toelichting niet dat de Wet franchise ook van toepassing zou zijn op relatiebedingen.

Anderzijds bestaan er in het arbeidsrecht ook relatiebedingen en postcontractuele non-concurrentiebedingen. En ten aanzien van het arbeidsrecht is algemeen aanvaard dat de wettelijke vereisten voor een non-concurrentiebeding (artikel 7:653 BW) óók gelden voor een relatiebeding. Dat zou een argument kunnen zijn dat de Wet franchise ook van toepassing is op relatiebedingen.

Op grond van een recente uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2021:8261 – klik hier voor het volledige vonnis) zou de voorlopige conclusie getrokken kunnen worden dat het in ieder geval niet uitgesloten is dat artikel 7:920 lid 2 BW van toepassing is op relatiebedingen. Kort samengevat: in die betreffende kwestie stonden een franchisenemer en een franchisegever in een kort geding tegenover elkaar en vorderde de franchisenemer (onder meer) schorsing van het relatiebeding en het non-concurrentiebeding. Daarbij werd onder meer door de franchisenemer een beroep gedaan op de Wet franchise en artikel 7:920 lid 2 BW.

De rechtbank overweegt in rechtsoverweging 4.12 van het vonnis dat de overgangsperiode van 2 jaar nog niet voorbij is, zodat een toetsing van het non-concurrentiebeding aan artikel 7:920 lid 2 BW aldus de rechtbank (nog) niet aan de orde is. Maar ook overweegt de rechtbank – en dat is relevant – dat een toetsing van het relatiebeding niet aan de orde kan zijn (vet door ondergetekende):

Daar komt bij dat, anders dan [naam eiseres] en Zorg Parel stellen, het non-concurrentieverbod en relatiebeding naar voorlopig oordeel niet in strijd zijn met artikel 7:920 lid 2 BW. Dit artikel wordt op grond van het overgangsrecht twee jaar na inwerkingtreding van de Wet franchise (op 1 januari 2021) op lopende franchiseovereenkomsten van toepassing. De bedingen, in het bijzonder het relatiebeding, kunnen dus nog niet aan het artikel worden getoetst.

Op grond van dit voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is het dus (kennelijk) niet op voorhand uitgesloten dat een relatiebeding óók valt onder de werking van artikel 7:920 lid 2 BW. Ondanks de voornoemde argumenten waarom dat niet het geval is, blijkt uit deze uitspraak mogelijk het tegendeel. En dat zou weer verregaande gevolgen kunnen hebben voor de franchise-branche.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Ook interessant?