Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
FranchiserechtOndernemingsrecht

Rechterlijke dwangsom is geen afkoopsom

Jan-Willem Kolenbrander

11 januari 2019 - 2 minuten leestijd
Inleiding

Als een rechter een partij veroordeelt tot het doen of nalaten van een bepaalde handeling dan kan de rechter op verzoek van de eisende partij daaraan ook een dwangsom verbinden. Voldoet de veroordeelde partij niet aan het opgelegde gebod of verbod dan worden dwangsommen verbeurd. Het opleggen van een dwangsom is dan uiteraard bedoeld om de veroordeelde partij voldoende te ‘prikkelen’ om het vonnis stipt na te komen. Bijna altijd zal de rechter een maximum hangen aan het bedrag dat een veroordeelde partij via dwangsommen kan verbeuren. Soms wordt van dit maximumbedrag gedacht dat dit een soort afkoopsom zou zijn. En dat de veroordeelde partij – na betaling van dit maximumbedrag – het vonnis niet meer hoeft na te komen. Ten onrechte, blijkt ook uit een recente uitspraak.

De casus

In deze zaak ging het om het volgende. Een sport- en fitnessketen had bedrijfsruimte gehuurd op de begane grond van een complex om een sportschool te kunnen exploiteren. Op de eerste verdieping van dit complex woonden mensen. De verhuurder van deze woningen ontving herhaaldelijk klachten van de bewoners over overlast van de onderliggende sportschool. De door de keten genomen maatregelen mochten helaas niet baten.

De verhuurder stapte vervolgens naar de rechter. Bij rechterlijk vonnis werd de keten veroordeeld om de exploitatie van de sportschool te staken en gestaakt te houden. Zou de keten dat niet doen, dan zou zij een dwangsom verbeuren van € 1.000 voor elke dag dat de exploitatie van de sportschool zou voortduren, met een maximum van € 50.000 aan dwangsommen.

Ondanks dit vonnis staakte de keten de exploitatie van de sportschool niet, maar voldeed zij een bedrag van € 50.000 aan de verhuurder onder de vermelding “penalty court“. Kennelijk omdat de keten van mening was dat het bedrag van € 50.000 een soort van afkoopsom zou zijn en dat verdere nakoming van het vonnis daardoor niet meer nodig was.

Ten onrechte, oordeelt de kort geding rechter in Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2019:1260 – klik hier voor het volledige vonnis). Een rechterlijk vonnis moet immers stipt nageleefd worden en dat doet de keten niet door de exploitatie in strijd met het vonnis voort te zetten. De eerste rechter dacht dat een dwangsom van € 1.000 per dag met een maximum van € 50.000 een voldoende prikkel voor de keten zou moeten zijn om haar de exploitatie van de sportschool te doen staken. Dat blijkt in de praktijk echter niet het geval te zijn. De kort geding rechter overweegt dan ook dat er kennelijk onvoldoende prikkel is uitgegaan van die eerdere (maximale) dwangsom en hij verhoogt de maximale dwangsom van € 50.000 naar € 250.000. De reeds door de keten verbeurde dwangsommen van € 50.000 maken daar overigens geen onderdeel van uit, dus in theorie kan de verhuurder op basis daarvan totaal € 300.000 aan dwangsommen opeisen als de keten onwelwillend blijft om aan het vonnis te voldoen.

Kortom

Een gebod of verbod in een rechterlijk vonnis dient stipt nageleefd te worden door de veroordeelde partij. Als deze partij daaraan niet voldoet, en er zijn dwangsommen opgelegd door de rechter, dan kan hij dwangsommen verbeuren tot een bepaald maximum. Zoals uit voorgaande uitspraak blijkt, heeft het dan geen zin voor de veroordeelde partij om de (maximale) dwangsom te voldoen aan de eisende partij om vervolgens het vonnis te (blijven) overtreden. De eisende partij kan dan naar de rechter stappen om een verhoging van de maximale dwangsom te vorderen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?