Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

De onderzoeksplicht van de franchisenemer bij onjuiste prognoses – deel 2

Ondernemingsrecht

Jan-Willem Kolenbrander

10 april 2017 - 2 minuten leestijd

In mijn blog van eerder deze maand merkte ik al op dat een veelvoorkomende vraag bij prognose zaken in franchising is in hoeverre er sprake is van een onderzoeksplicht bij franchisenemers die een ondeugdelijke prognose ontvangen van hun franchisegever. Had de franchisenemer niet gewoon een ‘kritische grondhouding’ moeten aannemen toen hij de exploitatie prognoses ontving van de franchisegever? De rechtbank Noord-Holland maakte onlangs een terechte nuancering in deze materie.

In mijn vorige blog (klik hier) wees ik op een eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg waarin werd geoordeeld dat er (in beginsel) geen sprake is van een onderzoeksplicht aan de zijde van de kandidaat-franchisenemer om zelf de deugdelijkheid van de verstrekte prognoses te beoordelen.

De rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2017:1590 – klik hier voor het vonnis) oordeelde recent in lijn daarmee en brengt ook een nuancering aan. Wat speelde er precies? Een franchisegever had via brochures en haar website algemene wervende kreten, zoals ‘een interessant ondernemersinkomen’ en ‘direct het 1e jaar een prima ondernemersinkomen’,  gebezigd. Ook had de franchisegever concreet laten prognosticeren dat de kandidaat-franchisenemer het eerste jaar een omzet van € 1,15 miljoen en een resultaat van € 20.000 zou behalen en in het tweede jaar een omzet van € 1,4 miljoen en een resultaat van € 50.000. Die bedragen werden niet behaald door de franchisenemer om welke reden hij meende dat er sprake was van onjuiste prognoses.

Als ik het vonnis goed lees, dan begrijp ik dat de rechtbank ten aanzien van de algemeen wervende kreten op de website en in brochures opmerkt dat van de kandidaat-franchisenemer een kritische grondhouding mocht worden verwacht. Dit omdat dergelijke wervende uitlatingen duidelijk bedoeld zijn om nieuwe franchisenemers te werven. De franchisenemer had dit moeten onderkennen. Ten aanzien van de concrete prognoses die zijn verstrekt door de franchisegever lijkt de rechtbank deze kritische zorgplicht niet toe te willen passen, maar lijkt zij op één lijn te zitten met de rechtbank Limburg.

Deze tweedeling in de beoordeling van door de franchisegever verstrekte informatie lijkt mij juist. Als er algemene wervende uitlatingen worden gedaan door een franchisegever, dan zal de kandidaat-franchisenemer daar (in beginsel) kritisch naar moeten kijken, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn waarom de franchisenemer deze uitlatingen als juist mocht aannemen. Denk daarbij aan een concrete bevestiging van de franchisegever ‘dat het echt zo is’.

Is er sprake van een concrete en op de kandidaat-franchisenemer toegespitste exploitatieprognose, dan geldt m.i. dat (in beginsel) de kandidaat-franchisenemer moet kunnen vertrouwen op de juistheid van die concrete prognose, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. Denk daarbij aan geprognosticeerde omzetten en resultaten die zo exorbitant hoog zijn dat elk weldenkend mens begrijpt deze onmogelijk zijn om te behalen. Een algemene disclaimer weggemoffeld in de kantlijn van de prognoses en in de trant van ‘aan deze berekening kunnen geen rechten worden verleend’ is wat mij betreft te algemeen omschreven om als bijzondere omstandigheid te kunnen kwalificeren.

Deze benadering is gerechtvaardigd door er op te wijzen dat een franchisegever niet verplicht is een exploitatieprognose te verstrekken, maar dat juist doet om franchisenemers deugdelijk en op voorhand te kunnen informeren over de (on)mogelijkheden van de franchise. Vaak vraagt de franchisenemer daar ook concreet om. Op dat doel zal een concrete prognose dan ook beoordeeld dienen te worden en niet louter als middel gezien moeten worden om franchisenemers te werven. Franchisegevers hebben immers allerlei middelen ter beschikking om franchisenemers te kunnen werven, zonder dat het nodig is om (onjuiste c.q. onvolledige) exploitatieprognose daarvoor te gebruiken. Wordt er dan ook een concrete exploitatieprognose verstrekt door een franchisegever dan moet de kandidaat-franchisenemer daarop in principe volledig kunnen vertrouwen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?