Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
IT, IE & Privacy

“Mededeling aan publiek” in hotelkamers. Hoe zit het nu eigenlijk?

Teun Pouw

7 maart 2017 - 2 minuten leestijd

Op 16 februari 2017 heeft het Europese Hof van Justitie weer een uitspraak gedaan over de mededeling aan publiek in hotels. Het hof oordeelde dat het plaatsen van televisie- en radiotoestellen in hotelkamers geen mededeling vormt die wordt verricht “op een tegen betaling van een toegangsprijs voor het publiek toegankelijke plaats”. Wat zegt het hof hier nu eigenlijk mee, en wat betekent het?

Allereerst vormt het beschikbaar stellen van televisie- en radiotoestellen in hotelkamers nog altijd een mededeling aan publiek, zowel auteurs- als nabuurrechtelijk. Dit bleek al uit de arresten SGAE, OSDD/Divani Akropolis en Phonographic Performance Ireland van het Europese Hof van Justitie. Voor hotels betekent dit dat eerst toestemming van de auteursrechthebbenden verkregen moet worden om deze mededeling aan publiek te doen en dat de uitvoerend kunstenaars achteraf recht hebben op een billijke vergoeding op grond van hun naburige rechten. Het is niet van belang of de hotelgasten de televisie of radio daadwerkelijk aanzetten, het enkele feit dat de mogelijkheid wordt geboden om van beschermd werk te genieten is al voldoende om te spreken over een “mededeling aan publiek”. Hiervan kan al sprake zijn door het enkel installeren van televisietoestellen in de kamers van het hotel en het verbinden ervan met de centrale antenne van het hotel.

Wat heeft het hof dan geoordeeld op 16 februari? Alhoewel het beschikbaar stellen van televisie- en radiotoestellen wel een “mededeling aan publiek” is, vormt het geen mededeling “die wordt verricht op een tegen betaling van een toegangsprijs voor het publiek toegankelijke plaats.” Dit is relevant, want als het hof had geoordeeld dat dit wel het geval was, dan hadden omroeporganisaties op grond van artikel 8 lid 3 van de Europese richtlijn 2006/115/EG het uitsluitende recht gehad een dergelijke mededeling aan publiek van hun uitzendingen toe te staan of te verbieden.

Het hof oordeelde als volgt:

“Vastgesteld dient te worden dat de prijs voor een hotelkamer, net zomin als de prijs voor diensten in de horecasector, een toegangsprijs is die specifiek wordt gevraagd als vergoeding voor een mededeling aan het publiek van een televisie‑ of radio-uitzending, maar primair de vergoeding vormt voor een overnachting, waarbij afhankelijk van het soort hotel bepaalde aanvullende diensten worden aangeboden, zoals de mededeling van televisie‑ en radio-uitzendingen door middel van ontvangsttoestellen in de kamers, die normaal gesproken ongespecificeerd in de prijs van de overnachting zijn inbegrepen.”

Volgens het hof was er dus geen sprake van dat de aanvullende dienst in de vorm van de televisie – en radio-uitzendingen werd geleverd “op een tegen betaling van een toegangsprijs voor het publiek toegankelijke plaats”. Alhoewel omroeporganisaties heruitzending van hun uitzendingen door middel van televisie- en radiotoestellen in hotelkamers dus niet kunnen toestaan of verbieden, moeten hotels nog steeds rekening houden met auteurs- en nabuurrechthebbenden.

Teun Pouw en Ramon Lacunes

Advocaat IE-recht en juridisch medewerker

 

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?