Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Kartelverbod zet streep door vaste prijzen bij franchiseformule

Ondernemingsrecht

Jan-Willem Kolenbrander

22 juni 2018 - 2 minuten leestijd

In een recente uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is geoordeeld dat bepaalde afspraken in een huishoudelijk reglement verboden zijn op grond van het wettelijke kartelverbod. Daardoor bleken deze afspraken nietig te zijn en kon de franchisegever er geen beroep op doen richting haar franchisenemers.

Artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) bepaalt onder meer dat het verboden is voor ondernemingen om afspraken met elkaar te maken die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging in Nederland wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Dit wordt ook wel het kartelverbod genoemd. Worden dergelijke afspraken toch gemaakt dan kunnen deze op grond van de Mededingingswet nietig zijn. Dat betekent dat die afspraken geacht worden nooit bestaan te hebben.

Een voorbeeld van een afspraak in een franchise samenwerking die verboden kan zijn op grond van het kartelverbod is verticale prijsbinding. Dat is een prijsafspraak tussen de franchisegever en franchisenemer op grond waarvan de franchisenemer verplicht is om altijd de door de franchisegever voorgeschreven prijzen te berekenen aan zijn klanten. Hij kan nooit van deze verkoopprijzen afwijken.

In een recente zaak bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2018:2370 – klik hier voor het volledige arrest) was sprake van een franchise formule op het gebied van het geven van opleidingen en trainingen. Op grond van het huishoudelijke reglement waren de franchisenemers verplicht de door de franchisegever opgelegde verkoopprijzen te hanteren richting hun klanten. Aldus het hof was er sprake van een zogenaamde strekkingsbeperking van de mededinging op grond waarvan niet meer gekeken zou hoeven worden naar de merkbaarheid van de inbreuk. De overtreding van het kartelverbod van artikel 6 Mw stond daarmee vast volgens het hof en alle bepalingen in het huishoudelijke reglement waarin voornoemde verticale prijsbinding was opgenomen werden nietig verklaard.

Door de merkbaarheid van deze specifieke verticale prijsbinding in het geheel niet te beoordelen, dan wel te betrekken bij de vraag of er sprake is van een strekkingsbeperking, wijkt het hof af van andere jurisprudentie waaruit blijkt dat zelfs in het geval van verticale prijsbinding beoordeeld dient te worden of er sprake is van enige reële (negatieve) beïnvloeding van de concurrentie door die prijsbinding. Daarbij zou in dit specifieke geval nog de kanttekening kunnen worden geplaatst dat veel franchisegevers graag sturing willen geven aan de toegepaste verkoopprijzen binnen de formule en niet om de markt negatief te beïnvloeden, maar juist om de identiteit en de reputatie van de formule te kunnen waarborgen. De franchisegever wil immers zo veel mogelijk uniformiteit uitstralen richting de klanten en een uniform prijsbeleid kan daar een onderdeel van zijn. Ook om die reden kan de vraag gesteld worden of het in het geval van een franchisesamenwerking terecht is om verticale prijsbinding direct af te straffen met nietigheid zonder dat is gebleken van enige reële (negatieve) beïnvloeding van de concurrentie.

Wat daar ook van zij, voornoemde uitspraak onderstreept uiteraard wel zeer treffend dat franchisegevers er zeer goed aan doen om het kartelverbod nooit uit het oog te verliezen bij de exploitatie van hun franchiseformule. Worden bepaalde bepalingen of wellicht zelfs hele franchiseovereenkomsten nietig verklaard door een rechter, dan is dat natuurlijk uitermate onwenselijk.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?