Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Juridische kosten van de werknemer

12 december 2019 - 2 minuten leestijd

Statistisch gezien worden in Nederland de meeste arbeidsovereenkomsten met behulp van een vaststellingsovereenkomst (hierna: “VSO”) beëindigd. De VSO staat apart genoemd in de wet (artikel 7:900 e.v. BW) en heeft meer bewijskracht dan een ‘gewone’ overeenkomst. Niet voor niets heeft de wetgever wettelijk bepaald dat een arbeidsovereenkomst alléén met wederzijds goedvinden kan worden beëindigd, als een VSO wordt gesloten.

Een standaard bepaling in de VSO is de finale kwijting. Partijen spreken af elkaar over en weer finale kwijting te verlenen. Dat betekent dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben, behalve hetgeen zij in de VSO hebben afgesproken. Om die reden is het van essentieel belang voor zowel de werkgever, als de werknemer de inhoud van de VSO goed te overwegen. Dat wordt vaak ook gedaan, met behulp van advocaten. De praktijk leert ons, dat aan het sluiten van een VSO vrijwel altijd een traject van onderhandelingen voorafgaat. Daarin toont de advocaat – als het goed is – ook zijn meerwaarde, door onder andere met de wet en rechtspraak in de hand de feiten in het voordeel van zijn of haar cliënt uit te leggen.

Uiteraard preken wij hiermee vooral voor eigen parochie, maar de inmenging van een (goede) advocaat levert de cliënt uiteindelijk meer op dan dat de cliënt zijn of haar zaak zelf bepleit. De keerzijde hiervan zijn onze juridische kosten. Afhankelijk van de intensiteit van de zaak, kunnen die uiteraard oplopen. In de onderhandelingen over de beëindiging van het dienstverband van de werknemer, zien we dan ook standaard dat de werknemer verzoekt om vergoeding van zijn gemaakte juridische kosten.

Hier gaat het in de onderhandelingen regelmatig mis. De werkgever is vaak wel bereid een gedeelte van de juridische kosten van de werknemer te betalen, maar gaat er daarbij vanuit dat de btw kan worden afgetrokken. Om dat op een fiscaal juiste wijze te doen, zal de factuur van de werknemers-advocaat op naam van de werkgever moeten worden gesteld. Daar wordt door werkgevers dan ook veelvuldig om verzocht. De werknemers-advocaat mag dit echter niet doen. Daarmee zou hij of zij namelijk de werkgever een btw-voordeel laten genieten, terwijl de werknemer de feitelijke cliënt van de advocaat is. Als de werknemers-advocaat tóch de factuur op naam van de werkgever zou stellen, dan handelt hij of zij tuchtrechtelijk verwijtbaar, zoals blijkt uit een uitspraak van het Hof van Discipline van 2 december 2013.

Het is belangrijk dat tijdens de onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst, zowel de werkgever als de werknemer zich van het voorgaande bewust zijn. Als werkgever is het goed alvast na te denken hoe de juridische kosten van de werknemer op een fiscaal goede wijze te verwerken, aangezien de vergoeding daarvan feitelijk belast loon is. Wellicht door de juridische kosten in de vrije ruimte van de werkkostenregeling te laten vallen. Voor de werknemer is het anderzijds belangrijk om na te denken over alternatieven voor een één-op-één vergoeding door de werkgever. Daarmee vergroot de werknemer immers de kans dat hij daadwerkelijk (een deel van) zijn juridische kosten vergoedt krijgt. De werknemer zou bijvoorbeeld kunnen voorstellen de advocaatkosten in mindering te brengen op de eventuele bruto beëindigingsvergoeding die hij krijgt. Hiermee geniet de werknemer een bruto/netto voordeel en het kost de werkgever niets extra’s.

Kortom: over de vergoeding van advocaatkosten en hoe dit in de vaststellingsovereenkomst moet worden beschreven, moet goed worden nagedacht. Dat scheelt een hoop irritatie en fiscaal negatieve consequenties achteraf.

Vragen over de vaststellingsovereenkomst? Neem contact op met een van de specialisten van het team Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen!

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?