Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu

Een postcontractueel non-concurrentiebeding verbiedt een vertrekkende franchisenemer om na het einde van de franchise concurrerende activiteiten te ontplooien. Dergelijke concurrentiebedingen zijn doorgaans beperkt in tijd (doorgaans één jaar) en geografie (vaak het rayon of het vestigingspunt). Een ex-franchisenemer kan proberen om een concurrentiebeding te vernietigen op grond van het kartelverbod, maar zal daarvoor voldoende moeten kunnen bewijzen.

Een ex-franchisenemer van een bepaalde uitvaart-franchiseformule was gebonden aan een postcontractueel non-concurrentiebeding dat hem verbood om gedurende een periode van één jaar in zijn voormalige rayon te concurreren met de formule. Aldus deze ex-franchisenemer was dit concurrentiebeding echter in strijd met het kartelverbod van artikel 6 Mededingingswet (Mw) omdat daardoor de mededinging op de Nederlandse markt zou worden verhinderd, beperkt of vervalst. De ex-franchisenemer startte vervolgens een kort geding en vorderde schorsing van het non-concurrentiebeding. De rechter (klik hier voor het vonnis) is echter van mening dat onvoldoende is vast komen te staan dat het postcontractuele non-concurrentiebeding inderdaad in strijd is met het kartelverbod van artikel 6 Mw.

Hoewel het altijd verleidelijk is om eerst te kijken of er sprake is van een mogelijke vrijstelling van het kartelverbod op grond waarvan de (vermeende) inbreuk toch toelaatbaar is, doorloopt de rechter een juiste route door eerst te inventariseren of er sprake is van enige inbreuk op het kartelverbod. Daarbij merkt de rechter op dat diegene die zich erop beroept dat er sprake is van een inbreuk op het mededingingsrecht ook de bewijslast heeft van die stelling. Die partij dient voldoende feiten en omstandigheden aan te dragen die dat aannemelijk maken, bijvoorbeeld door relevante (economische) feiten en omstandigheden aan te dragen zodat de desbetreffende markt in voldoende mate kan worden doorgrond door de rechter om te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrije mededinging op die markt is of zou kunnen worden verstoord.

Aldus de rechter heeft de ex-franchisenemer echter niet voldoende feiten en omstandigheden aangedragen om daartoe te kunnen komen. Verder merkt de rechter op dat de franchiseovereenkomst een verticale overeenkomst is en het non-concurrentiebeding een verticale beperking. Die zijn over het algemeen minder schadelijk dan horizontale beperkingen. Bedingen die noodzakelijk zijn om de franchiseformule te laten werken zijn derhalve niet mededingingsbeperkend en vallen niet onder het kartelverbod.

Dit oordeel bevestigt dat een beroep op het kartelverbod geen eenvoudige vingeroefening is. Een franchisenemer zal zijn huiswerk uiterst secuur moeten doen om een beroep op het kartelverbod te laten slagen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht