Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
IT, IE & Privacy

Google hoeft ‘huisjesmelker van het jaar’ niet te vergeten

Jeroen van Helden

10 januari 2020 - 3 minuten leestijd

Op 24 december 2019 deed het Gerechtshof Den Haag uitspraak in een zaak die was aangespannen door een vastgoedondernemer tegen Google. De uitspraak gaat over zoekmachines en het ‘recht om vergeten te worden’. Het hof verduidelijkt in de uitspraak hoe dit vergeetrecht moet worden toegepast als zoekresultaten verwijzen naar bijzondere en strafrechtelijke persoonsgegevens.

Google/Spain

In 2014 oordeelde het HvJEU in het Google/Spain-arrest dat het verwijderingsrecht ook geldt ten aanzien van zoekmachines. Volgens het HvJEU hebben natuurlijke personen onder bepaalde omstandigheden het recht op verwijdering van zoekresultaten die verschijnen bij een zoekopdracht op hun naam (ECLI:EU:C:2014:317). Dit hangt af van de uitkomst van een belangenafweging tussen enerzijds het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds het gerechtvaardigde belang dat internetgebruikers kunnen hebben bij toegang tot bepaalde informatie.

De Hoge Raad heeft de kernoverwegingen van dit arrest in 2017 herhaald (ECLI:NL:HR:2017:316). In diverse zaken is het vergeetrecht bij zoekmachines inmiddels ook door lagere rechters toegepast. Een vraag die tot voor kort nog niet (duidelijk) beantwoord was, is hoe het vergeetrecht werkt op het moment dat zoekresultaten verwijzen naar bijzondere en strafrechtelijke persoonsgegevens. Onder de AVG is verwerking van bijzondere en strafrechtelijke gegevens in beginsel namelijk verboden. Geldt dit verbod dan niet ook voor zoekmachines?

Bijzondere en strafrechtelijke gegevens

In september 2019 oordeelde het HvJEU in het GC/CNIL-arrest dat zoekmachines onder omstandigheden wel degelijk mogen verwijzen naar zoekresultaten waarin bijzondere en strafrechtelijke persoonsgegevens zijn opgenomen (ECLI:EU:C:2019:773). Zij kunnen zich dan beroepen op de uitzonderingsgrond ‘redenen van zwaarwegend algemeen belang’. Uit de uitspraak is overigens niet duidelijk af te leiden hoe het hof deze uitzondering van toepassing laat zijn op strafrechtelijke gegevens.

In de recente uitspraak over de huisjesmelker, verwijst het Gerechtshof Den Haag naar het GC/CNIL-arrest (ECLI:NL:GHDHA:2019:3539). Overigens zonder laatstgenoemd punt te verduidelijken. Wat waren de feiten?

De vastgoedondernemer in kwestie was in 2015 strafrechtelijk veroordeeld voor poging tot dwang in de zin van artikel 284 Sr. De ondernemer had geprobeerd huurders onder druk te zetten, zodat zij een zaak bij de Huurcommissie in zouden trekken. Ook was hem in 2017 op vordering van huurders een gebieds- en contactverbod opgelegd, welk verbod in 2019 door het hof was bekrachtigd. De jongerenafdeling van de SP had hem bovendien in 2019 uitgeroepen tot ‘huisjesmelker van het jaar’.

Het hof oordeelt dat de zoekresultaten die de naam van de huisjesmelker koppelen aan diverse misstanden noodzakelijk zijn ter bescherming van de vrijheid van informatie van internetgebruikers. Dit algemeen belang weegt in casu zwaarder dan het privacybelang van de ondernemer. Het hof acht daarbij de volgende omstandigheden van belang:

  • de bronpublicaties bevatten in de kern correcte (feitelijke) informatie;
  • misstanden in de huursector zijn onderwerp van een voortdurend maatschappelijk en politiek debat;
  • internetgebruikers kunnen huurders of potentiele huurders zijn;
  • vanwege de omvang van zijn vastgoedportefeuille en het aantal incidenten, speelt de ondernemer in zekere zin een rol in het openbare leven en moet hij erop berekend zijn dat negatieve informatie over hem gepubliceerd kan worden;
  • de informatie heeft betrekking op gedrag in de professionele context van de verhuur van vastgoed;
  • de bronpublicaties zijn (overwegend) gepubliceerd door journalistieke media;
  • al met al kan niet worden aangenomen dat de ondernemer zijn leven heeft gebeterd.

Google hoeft de zoekresultaten die verwijzen naar de bronpublicaties dus niet te verwijderen.

Ten slotte nog een technisch-juridische noot van het hof. Volgens het hof kan het door de civiele rechter opgelegde contactverbod namelijk niet gelden als een strafrechtelijk gegeven in de betekenis van de privacywetgeving. Het hof haalt daarmee een streep door de nadere kwalificatie die de Nederlandse wetgever had gegeven aan dat begrip. In de Uitvoeringswet AVG had de Nederlandse wetgever namelijk opgenomen dat onder het begrip strafrechtelijk gegeven ook moet worden verstaan ‘persoonsgegevens betreffende een door de rechter opgelegd verbod naar aanleiding van onrechtmatig of hinderlijk gedrag’. Het hof oordeelt dat lidstaten niet de vrijheid hebben een eigen, ruimere invulling te geven aan dit Unierechtelijke begrip.

Jeroen van Helden, advocaat IT, IE & Privacy

Ook interessant?