Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Ondernemingsrecht

Gedragsrechtelijke redelijkheid declaratie ook in verhouding met schaderegelingskantoor

Robert Sanders

1 oktober 2019 - 3 minuten leestijd

Dat het voor advocaten geldende tuchtrecht ook kan doorwerken in een civielrechtelijke verhouding, zelfs de verhouding met een wederpartij die niet de rechtzoekende cliënt is, blijkt uit een recent (tussen)arrest van het Gerechtshof Den Haag.

Ter uitvoering van een rechtsbijstandverzekering heeft een schaderegelingskantoor een advocatenkantoor opdracht verleend om de verzekerde werkgever bij te staan in het geschil met het UWV. Over de declaraties ontstaat vervolgens discussie tussen de schaderegelaar en het advocatenkantoor.

Het advocatenkantoor start een civiele procedure bij de rechtbank en wordt in het gelijk gesteld. De schaderegelaar neemt de declaraties van het kantoor nog eens onder de loep en gaat in hoger beroep. Het schaderegelingskantoor vordert onder meer een verklaring voor recht dat de verstrekte opdracht rechtsgeldig is ontbonden dan wel het kantoor wegens excessief declareren het bedrag terug te laten betalen. De vordering tot ontbinding wordt gebaseerd op het toerekenbaar tekortschieten van het advocatenkantoor, omdat (i) in strijd met de overeenkomst van opdracht en zonder het financieel belang van de cliënt te dienen kansloze procedures zijn gestart, (ii) er geen plan van aanpak is opgesteld, (iii) het geschil niet effectief en ook niet efficiënt is behandeld en (iv) niet verrichte werkzaamheden zijn gedeclareerd.

In hoger beroep oordeelt het gerechtshof dat de rechtbank met juistheid tot uitgangspunt heeft genomen dat het advocatenkantoor (ook in de relatie tot de schaderegelaar) dient te handelen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden verwacht mag worden. Dat de procedures niet tot het gewenste resultaat hebben geleid, betekent volgens het hof nog niet dat deze procedures bij voorbaat kansloos of onnodig zijn geweest. Ook de omstandigheid dat er geen plan van aanpak was opgesteld, kan ruim anderhalf jaar na de aanvang van de werkzaamheden geen grond zijn voor ontbinding zijn van de overeenkomst van opdracht.

De vraag is vervolgens wat de inhoud is van de overeenkomst van opdracht tussen het advocatenkantoor en de schaderegelaar. Het toepasselijke uurtarief is daarbij niet in geschil. Partijen hebben echter wel over en weer elkaars opdrachtbevestigingen niet geaccepteerd. Naar oordeel van het hof moet de overeenkomst in redelijkheid worden uitgelegd in die zin dat voor het overige de voorwaarden gelden die in de advocatuur gebruikelijk zijn. Daarbij zoekt het hof aansluiting bij de voor de advocatuur geldende wet- en regelgeving, waaronder met name de Advocatenwet en de ten tijde van het verrichten van de werkzaamheden geldende Gedragsregels 1992. Het hof volgt niet het standpunt van de schaderegelaar dat de polisvoorwaarden van de oorspronkelijke verzekering rechtstreeks van toepassing zijn op de overeenkomst van opdracht. Voor zover deze polisvoorwaarden bepalingen bevatten die niet een weergave zijn van de voor de advocatuur geldende wet- en regelgeving kunnen deze niet (rechtstreeks) aan het advocatenkantoor worden tegengeworpen, aldus het hof.

Het hof stelt vast dat de declaraties voor een aantal werkzaamheden niet voor betaling in aanmerking komen. Bij de declaraties voor de werkzaamheden die wel voor betaling in aanmerking komen, neemt het hof de gedragsrechtelijke maatstaf tot uitgangspunt dat een advocaat bij het vaststellen van zijn declaratie een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk salaris in rekening behoort te brengen. De stelling van het advocatenkantoor dat het hier om advocatentuchtrecht zou gaan en dat deze maatstaf bij de beoordeling van het geschil over de hoogte van de declaratie bij de civiele rechter geen rol speelt, gaat volgens het hof niet op. Met ingang van 1 januari 2015 is de begrotingsprocedure op grond van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) vervallen en is de civiele rechter bevoegd om over geschillen met betrekking tot de hoogte van de declaraties van advocaten te oordelen.

Het hof komt tot de slotsom dat de door het kantoor in rekening gebrachte declaraties niet voldoen aan het uitgangspunt van de redelijkheid van de declaratie nu het advocatenkantoor kosten in rekening heeft gebracht die niet voor vergoeding in aanmerking komen. Welk salaris wel redelijk is, moet worden beantwoord aan de hand van het volledige (proces)dossier in de zaak tegen het UWV met de declaraties en de daarop betrekking hebbende urenspecificaties. Het hof waagt zich daar niet direct zelf aan, maar geeft partijen de gelegenheid om een deskundige voor te dragen. Bij voorkeur iemand met ervaring in het begroten van declaraties zoals dat plaatsvond onder de begrotingsprocedure van de WTBZ. Wordt vervolgd.

Robert Sanders, advocaat tuchtrecht

Link naar de uitspraak: Gerechtshof Den Haag 17 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2392

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?