Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Overzicht Delen
FranchiserechtOndernemingsrecht

Franchisenemer vordert tevergeefs opheffing van een non-concurrentiebeding

Jan-Willem Kolenbrander

5 mei 2021 - 3 minuten leestijd

Een franchisenemer vordert opheffing van een postcontractueel non-concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst. Daarvoor wordt een beroep gedaan op dwaling omdat er voorafgaand aan de ondertekening van de franchiseovereenkomst ondeugdelijke prognoses zouden zijn verstrekt door de franchisegever. Een ‘prognose torpedo’ wordt hier in stelling gebracht, maar raakt deze torpedo uiteindelijk ook zijn doel?

Postcontractuele non-concurrentiebedingen in een franchiseovereenkomst betreffen bedingen die het een vertrekkende franchisenemer verbieden om gedurende een bepaalde periode in een bepaald gebied concurrerende activiteiten te ontplooien. Het is een beding waarover regelmatig conflicten ontstaan, zoals ook blijkt uit een artikel dat ik recent voor het juridische tijdschrift Contracteren schreef (Klik hier).

In de gerechtelijke uitspraak die ik hier zal behandelen, was sprake van een franchisenemer die op basis van een gunstige prognose was ingestapt bij een zekere franchiseformule. Deze prognose was echter gebaseerd op een vestigingsplaatsonderzoek dat – naar achteraf bleek – diverse cruciale fouten bevatte. De prognose bleek daardoor ook (veel) te rooskleurig te zijn. De franchisegever gaf de fouten overigens ruiterlijk toe en over een tijdsbestek van diverse jaren kwam dit onderwerp regelmatig ter sprake tussen partijen. De franchisenemer verbond daar echter geen (juridische) consequenties aan zette de exploitatie voort van de franchise. Sterker nog, na de expiratie van de looptijd werd de franchiseovereenkomst door de franchisenemer verlengd met nog eens vijf jaar.

In de voornoemde franchiseovereenkomst was ook een postcontractueel non-concurrentiebeding opgenomen die het de franchisenemer verbood om gedurende een periode van één jaar na het einde van de franchise in het exclusieve rayon concurrerende activiteiten te ontplooien. Toen er op enig moment alsnog een geschil ontstond tussen de franchisenemer en de franchisegever startte de franchisenemer diverse gerechtelijke procedures.

Eén daarvan betrof een kort geding bij de rechtbank Gelderland        (ECLI:NL:RBGEL:2021:1875 – klik hier voor het volledige vonnis) waarbij de franchisenemer aan de rechter om ontheffing vroeg van het postcontractuele non-concurrentiebeding. Aldus de franchisenemer had hij door de ondeugdelijke prognose een onjuiste voorstelling van zaken gehad bij het tekenen van de franchiseovereenkomst en gedwaald. Door deze dwaling was de franchiseovereenkomst (inclusief het non-concurrentiebeding) vernietigbaar. Hiermee bracht de franchisenemer feitelijk een ‘prognose torpedo’ in stelling, genoemd naar het verweermiddel dat ik eerder al besprak in het tijdschrift Contracteren (Klik hier).

De ‘prognose torpedo’ raakt haar doel deze keer echter niet, want de rechter wijst het verzoek tot opheffing van het non-concurrentiebeding af. Voornaamste reden daarvoor is het feit dat de vordering van de franchisenemer, om een beroep te kunnen doen op dwaling, ondertussen verjaard is. Hoewel tussen partijen totaal niet ter discussie staat dat de prognose inderdaad ondeugdelijk is[1], had de franchisegever begin 2013 al duidelijk gewezen op de fouten in het vestigingsplaatsonderzoek en (dientengevolge) de prognose. Die boodschap had de franchisegever in 2018 herhaald.

Aldus de rechtbank is niet gebleken dat de franchisenemer in de periode vanaf het aangaan van de franchiseovereenkomst tot aan de gerechtelijke procedure zich op enig moment op dwaling heeft beroepen. Nu de vernietiging van de franchiseovereenkomst op grond van dwaling binnen drie jaar na de ontdekking van de dwaling had moeten plaatsvinden (dus medio 2016) komt de franchisenemer, aldus de rechtbank, geen beroep op dwaling (meer) toe.

Voorgaande kwestie belicht feitelijk twee wezenlijke punten in prognose-zaken die (soms) te weinig aandacht krijgen, te weten enerzijds dat franchisenemers niet (te) lang moeten dralen met het treffen van maatregelen als zij bekend worden met foutieve prognoses. Anderzijds blijkt uit deze zaak dat het wel degelijk mogelijk is om als franchisegever in alle eerlijkheid te erkennen dat er fouten zijn gemaakt bij de totstandkoming van prognoses. Vaak is de (overigens zeer begrijpelijke) neiging van franchisegevers om fouten in prognoses te verdoezelen, ook als het overduidelijk is dat er fouten zijn gemaakt. Uit voornoemde zaak blijkt niet alleen dat een franchisegever volledig open en eerlijk kan zijn over fouten in een prognose, maar ook dat een franchisegever uiteindelijk wordt beloond voor deze eerlijkheid.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

 

[1] Hetgeen overigens ‘uitzonderlijk’ genoemd kan worden. Doorgaans verschillen partijen volledig van mening over de vraag of een prognose (on)deugdelijk is!

Ook interessant?