Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Europeesrechtelijke bescherming van gediscrimineerde personen

Joost Kokje

27 juni 2019 - 2 minuten leestijd

In 2006 is de richtlijnbetreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep’ aangenomen. Hiermee is verdere uitvoering gegeven aan het Europese beginsel dat mannen en vrouwen gelijk zijn.

De richtlijn verplicht lidstaten onder andere zorg te dragen voor bescherming van werknemers tegen ontslag of enige andere nadelige behandeling. Hoever deze bescherming moet gaan, is niet altijd duidelijk. Het Hof van Justitie EU geeft in de recente Hakelbracht-zaak wat meer duidelijkheid hierover.

Aanleiding

Mevrouw Vandenbon is storemanager van een Belgische kledingwinkel. Mevrouw Hakelbracht heeft bij de winkel gesolliciteerd en tijdens haar gesprek met mevrouw Vandenbon aangegeven drie maanden zwanger te zijn. Mevrouw Vandenbon heeft het sollicitatiegesprek aan Hoofd Personeelszaken van de kledingwinkel teruggekoppeld. Dit Hoofd besloot mevrouw Hakelbracht niet in dienst te nemen vanwege haar zwangerschap. Mevrouw Hakelbracht maakte bezwaar tegen deze reden van afwijzing en meende door de kledingwinkel gediscrimineerd te worden. Ze diende vervolgens een klacht in bij het Belgische Instituut voor de Gelijkheid van Mannen en Vrouwen. Mevrouw Vandenbon is in deze procedure vervolgens als onofficiële ‘getuige’ opgetreden en heeft ten nadele van de kledingwinkel verklaard.

De kledingwinkel besloot vervolgens de arbeidsovereenkomst van mevrouw Vandenbon te ontbinden wegens een ‘onjuiste uitvoering van de toevertrouwde taken’, hoewel overduidelijk was dat het voorval met mevrouw Hakelbracht aan de ontbinding ten grondslag lag.

Mevrouw Vandenbon is over de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst gaan procederen bij de arbeidsrechtbank in Antwerpen en heeft verzocht om een schadevergoeding. Ze heeft haar vordering gebaseerd op de in de Belgische Genderwet gewaarborgde bescherming tegen represaillemaatregelen door de werkgever. Deze wet is een implementatie van artikel 24 van de richtlijn uit 2006.

Prejudiciële vraag

Voor de arbeidsrechtbank was het onduidelijk of artikel 24 van de richtlijn (en daarmee de Genderwet) zover gaat dat mevrouw Vandenbon – vanwege haar onofficiële getuigenis bij het Belgische Instituut voor de Gelijkheid van Mannen en Vrouwen – beschermd zou moeten worden voor represailles van haar werkgever.

Volgens het hof is het doel van de richtlijn niet alleen de gediscrimineerde persoon tegen represailles van een eventuele werkgever te beschermen, maar ook andere personen. Als dat niet zo zou zijn, dan zou daarmee de richtlijn minder doeltreffend zijn. Immers, werknemers zouden dan minder geneigd zijn ten voordele van de gediscrimineerde te verklaren. Mevrouw Vandenbon heeft zodoende terecht gemeend beschermd te worden door artikel 24 van de richtlijn c.q. de Belgische genderwet.

Conclusie

Naast het feit dat het arrest van het hof een bevredigd resultaat kent, blijkt hieruit dat een beroep op EU-recht in nationale rechtsbetrekkingen zinvol kan zijn. Bij een juiste en tijdige toepassing van het EU-recht, kan een zaak worden gewonnen.

Joost Kokje, advocaat team Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?