Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Enquêtebevoegdheid OR krachtig instrument om goede governance te borgen!

Barbara van Dam

2 augustus 2018 - 6 minuten leestijd

Het recht van enquête is een krachtig instrument, waarmee aandeelhouders of vakbonden de Ondernemingskamer van het gerechtshof in Amsterdam (OK) kunnen vragen een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken binnen de onderneming. De ondernemingsraad heeft geen zelfstandig enquêterecht, tenzij hem dit expliciet wordt toegekend. Zo heeft een OR alleen het recht van enquête als dit in de statuten is vastgelegd of is afgesproken met de ondernemer. Dankzij het enquêterecht heeft de centrale ondernemingsraad (OR) bij Eneco Groep N.V. (Eneco) onlangs met succes een onderzoek door de OK naar de handelwijze van de Raad van Commissarissen van Eneco (RvC) af kunnen dwingen. Ook heeft de OK op verzoek van de OR met onmiddellijke ingang de voorzitter van de RvC geschorst en een nieuwe tijdelijke voorzitter benoemd. Een mooie overwinning voor de OR dus, en bovendien in veel opzichten een belangrijke uitspraak. In dit blog zal ik ingaan op de aspecten van de uitspraak die voor de medezeggenschap relevant zijn.

Governance

Governance gaat over goed bestuur en toezicht op het bestuur. Goed toezicht is belangrijk voor de continuïteit van de onderneming. Binnen een onderneming hebben zowel het toezichthoudende orgaan (een Raad van Commissarissen of een Raad van Toezicht) als het medezeggenschapsorgaan een toezichthoudende rol op het bestuur (RvB). In dit verband spreekt men wel van de “gouden driehoek”. In het belang van de onderneming dient binnen die driehoek ieders rol te worden gerespecteerd. Juist wanneer sprake is van een complex verkoopproces, zoals bij Eneco het geval was, dient de top van de onderneming eenheid uit te stralen. Dat de aandeelhouders en de RvC ten onrechte de RvB buiten een mediationtraject hielden, waar onderwerpen aan de orde zouden komen die behoren tot het domein van RvB, en daardoor op de stoel van het bestuur zijn gaan zitten, was voor de OR een belangrijke reden om te twijfelen aan de juistheid van het gevoerde beleid. Daarbij komt dat zowel bij het ontslag van de voorzitter van de RvB als bij de benoeming van diens opvolger de medezeggenschap niet (op de juiste wijze) is betrokken. Al met al meent de OR dat de RvC de belangen van de onderneming bij de voorgenomen verkoop niet goed heeft behartigd. Nu de kerntaak van de OR ziet op het borgen van de continuïteit van de onderneming, zag de OR zich genoodzaakt vanuit zijn rol als toezichthouder de OK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken binnen de onderneming.

Mediationtraject en vervolg

Hoewel er sprake is van een vertrouwensbreuk tussen enerzijds de aandeelhouders en de RvC en anderzijds tussen de RvB en de RvC vindt er slechts mediation plaats tussen de aandeelhouders en de RvC. De RvB wordt pas op een zeer laat moment inhoudelijk bij de mediation betrokken. De RvB heeft dan ook zeer beperkt invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van de uit de mediation voortgekomen vaststellingsovereenkomst, terwijl hij wel geacht werd de in de vaststellingsovereenkomst gemaakt afspraken uit te voeren. Tussen partijen ontstaat vervolgens discussie over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. Hoewel de mediation heeft geleid tot vertrouwensherstel tussen de aandeelhouders en de RvC is het vertrouwen tussen de RvB en de RvC door de mediation niet hersteld, integendeel.

Omdat de RvC meent dat de voorzitter van de RvB niet de juiste persoon is om de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken uit te voeren, heeft de RvC het vertrouwen in hem opgezegd, is gesproken over een vertrekregeling en hebben partijen overeenstemming bereikt over zijn vertrek. De OR meent dat deze gang van zaken de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt, zodat een door de OK te verrichten onderzoek naar het beleid en de gang van zaken binnen de onderneming gerechtvaardigd is.

Wat oordeelt de OK?

De OK oordeelt dat de omstandigheid dat de RvC, in het kader van de mediation en de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst, buiten aanwezigheid van de RvB met de aandeelhouders heeft onderhandeld en afspraken heeft gemaakt met betrekking tot onderwerpen die behoren tot het domein van het bestuur, een gegronde reden is voor twijfel aan een juist beleid. Dat de gezamenlijke interpretatie van de RvB en de RvC van de vaststellingsovereenkomst uiteindelijk ook wordt gedeeld door de aandeelhouders doet daar niet aan af, omdat niet duidelijk is wat die bereikte overeenstemming inhoudt en in hoeverre die overeenstemming een wijziging of uitwerking van de vaststellingsovereenkomst omvat.

De vaststellingsovereenkomst in het mediationtraject

In het kader van de mediation is een concept vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen die aan de RvB en de OR is voorgelegd. De OR heeft de RvC er terecht op gewezen dat de in de concept vaststellingsovereenkomst opgenomen afspraken over het transactieproces en de toekomstige investeringen adviesplichtig zijn en dat de RvB de vaststellingsovereenkomst slechts ‘voor akkoord’ kan tekenen onder het voorbehoud dat het adviesrecht van de OR zal worden gerespecteerd en dat de OR zelf niet aan de inhoud van de vaststellingsovereenkomst is gebonden.

Belangrijk in dit verband is dat de medezeggenschap ervoor waakt dat in het kader van een mediation tussen derden, afspraken worden gemaakt waarbij, onbedoeld, de medezeggenschap buitenspel wordt gezet.

De arbeidsrechtelijke vaststellingsovereenkomst

De OR meent dat hem op grond van art. 30 WOR een adviesrecht ten aanzien van het ontslag van de voorzitter van de RvB toekomt. Hoewel strikt genomen geen sprake lijkt te zijn van een ontslag (een eenzijdige beëindiging) nu partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten (een beëindiging met wederzijds goedvinden), meent de OR dat desalniettemin sprake was van een onvrijwillig ontslag. Nadat de RvC had aangegeven geen vertrouwen meer in de voorzitter van de RvB te hebben, restte hem immers geen andere keus dan in te stemmen met het ontslag en daarover afspraken te maken. Daar komt bij dat de OR vreest dat het ontslag van de voorzitter van de RvB en de ontstane onduidelijkheid over het al dan niet vrijwillig opstappen van een aantal leden van de RvC ingrijpende consequenties heeft voor het privatiseringsproces en in het bijzonder voor de mogelijkheid van een beursgang.

 Wat oordeelt de OK?

De OK stelt de OR in het gelijk en oordeelt dat ook een ontslag van de bestuurder via een vaststellingsovereenkomst onder de reikwijdte van artikel 30 WOR kan worden begrepen, als hieraan evident een eenzijdige beëindiging ten grondslag ligt. In dit geval had de RvC de voorzitter van de RvB medegedeeld dat de RvC unaniem tot de conclusie was gekomen dat hij geen vertrouwen meer had in hem had, zodat hij vervolgens geen andere keus had, dan afspraken te maken over een vertrekregeling. Die gang van zaken vertoont, aldus de OK, een zo grote gelijkenis met een voorgenomen besluit tot ontslag als bedoeld in artikel 30 WOR dat het daarmee op één lijn moet worden gesteld. De OK voegt daar nog aan toe dat ook de weigering van de RvC om aan de OR openheid van zaken te verschaffen over de besluitvorming door de RvC over de positie van de voorzitter van de RvB op gespannen voet met artikel 30 WOR staat.

Met dit oordeel heeft de OK voorkomen dat het adviesrecht van artikel 30 WOR een lege huls blijkt, nu in de praktijk bij structuurvennootschappen het opzeggen van het vertrouwen in een bestuurder al snel leidt tot een beëindiging op basis van wederzijds goedvinden, om verdere beschadiging van de organisatie en de RvB te voorkomen.

Schending adviestraject bij de benoeming van de nieuwe voorzitter van de RvB

Bij het adviestraject ten aanzien van de benoeming van de nieuwe bestuurder gaat het wederom mis. Voordat een overlegvergadering heeft plaatsgevonden en de OR heeft kunnen adviseren, ziet hij zich geconfronteerd met een (concept) persbericht, waarin de nieuwe bestuurder al wordt aangekondigd. De OR meent dat zijn advies ten aanzien van de benoeming van de nieuwe bestuurder niet van wezenlijke invloed heeft kunnen zijn.

Wat oordeelt de OK?

Juist in het belang van de onderneming had ten aanzien van de benoeming van een nieuwe voorzitter van de RvB een zorgvuldig medezeggenschapstraject moeten worden gevolgd. Dit temeer nu als gevolg van het vertrek van de voorzitter van de RvB de verstandhouding tussen de RvC en de OR was verslechterd. De OK oordeelt dat de gang van zaken met betrekking tot het vertrek van oud voorzitter van de RvB en de benoeming van zijn opvolger gegronde redenen opleveren om aan een juist beleid te twijfelen.

Conclusie

De hiervoor besproken onderwerpen illustreren dat de OR voldoende redenen had om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen en dat hij er dus goed aan gedaan heeft een enquêteprocedure bij de OK te starten. Omdat een dergelijke enquêtebevoegdheid niet beperkt is tot medezeggenschapsrechtelijke kwesties, heeft de OR hiermee een krachtig instrument in handen om zijn taak als toezichthouder effectief uit te kunnen oefenen en zo een goede governance en de continuïteit van de onderneming te borgen. Dat is waar de OR voor heeft te staan.

Rommelt het binnen uw organisatie aan de top? De medewerkers van ons WOR-team adviseren u graag.

Barbara van Dam-Keuken paralegal Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?