Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Ondernemingsrecht

Doorbraak van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:11 BW

Ondernemingsrecht

Tim de Vries

17 maart 2017 - 3 minuten leestijd

In Nederland is het mogelijk dat een rechtspersoon, zoals een B.V. of stichting, bestuurder van een andere rechtspersoon is. Om misbruik te voorkomen, is in de wet opgenomen dat de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder kan worden doorgeleid naar de (uiteindelijke) natuurlijke persoon. Onlangs heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de reikwijdte van deze wetsbepaling met betrekking tot de bestuurdersaansprakelijkheid (ECLI:NL:HR:2017:275).

De structuur van een groep ondernemingen

In de praktijk zien we regelmatig dat een werkmaatschappij wordt bestuurd door een andere rechtspersoon. Dit is vaak een holding. De holding wordt op haar beurt ook weer door een of meerdere bestuurders bestuurd. Een voorbeeld van een eenvoudige en veel voorkomende constructie:

De bestuurders van de holding kunnen natuurlijke personen zijn, zoals dhr. A en mw. B, maar het is ook mogelijk dat de holding op haar beurt door een of meer andere rechtspersonen wordt bestuurd. De wet stelt geen limiet aan het aantal rechtspersoon-bestuurders binnen een groep ondernemingen.

Bestuurdersaansprakelijkheid en artikel 2:11 BW

In de jurisprudentie is bepaald dat een bestuurder aansprakelijk kan worden gesteld indien hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Op grond van art. 2:11 BW rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Wat betekent dit precies?

Stel dat Werkmaatschappij B.V. failliet gaat. In dat geval wordt een curator aangesteld. Deze curator kan (namens de schuldeisers) het bestuur van de failliete vennootschap aanspreken indien hij van mening is dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld én deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest (art. 2:248 BW). Als Holding B.V. vervolgens geen verhaal biedt, kan de curator via art. 2:11 BW dhr. A en mw. B aanspreken voor het tekort in de boedel. In bovenstaand voorbeeld geldt dat dhr. A en mw. B zich op grond van deze bepaling niet achter de holding kunnen ‘verschuilen’ om aansprakelijkheid te ontlopen. Door de holding en eventuele andere rechtspersoon-bestuurders wordt als het ware ‘heengekeken’, totdat de (uiteindelijke) natuurlijke personen zijn bereikt. Dit geldt ook voor een vordering die door Werkmaatschappij B.V. op grond van art. 2:9 BW tegen het (oude) bestuur wordt ingesteld. In het Engels wordt dit “piercing the corporate veil” genoemd.

De reikwijdte van art. 2:11 BW

Uit het voorgaande blijkt dat de vormen van bestuurdersaansprakelijkheid van Boek 2 BW, waarin het rechtspersonenrecht grotendeels is geregeld, via art. 2:11 BW worden doorgeschakeld naar de tweedegraads bestuurder. De Hoge Raad heeft nu bevestigd wat in de literatuur al werd betoogd: art. 2:11 BW is van toepassing in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet, en niet alleen ingeval van aansprakelijkheid op grond van een bepaling uit Boek 2 BW. Art. 2:11 BW is dus ook van toepassing bij aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).

Een schuldeiser van Werkmaatschappij B.V. die bijvoorbeeld is benadeeld doordat hij onbetaald wordt gelaten, zal eerst bij Werkmaatschappij B.V. proberen verhaal te halen. Lukt dit niet, bijvoorbeeld doordat Werkmaatschappij B.V. failliet gaat, dan kan de schuldeiser het bestuur (Holding B.V.) aanspreken op grond van onrechtmatige daad. Indien de omstandigheden van het geval dusdanig zijn dat Holding B.V. persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, zijn dhr. A en mw. B als bestuurders van Holding B.V. op grond van art. 2:11 BW tevens hoofdelijk aansprakelijk. Zij zijn ieder voor het geheel aansprakelijk. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de schuldeiser in dat geval niet voor ieder van hen hoeft te stellen (en bij betwisting te bewijzen) dat hen afzonderlijk persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Wel heeft de Hoge Raad de mogelijkheid opengelaten dat tweedegraadsbestuurders (in het voorbeeld: dhr. A en mw. B) zich kunnen disculperen. Zij kunnen aansprakelijkheid ontlopen door te stellen (en zo nodig te bewijzen) dat hen ter zake geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Conclusie

Wanneer een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is, op welke wettelijke grondslag dan ook, rust die aansprakelijkheid in beginsel tevens hoofdelijk op de tweedegraadsbestuurder(s), waarbij de mogelijkheid tot disculpatie is opengelaten. Dit betekent dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Heeft u vragen naar aanleiding van uw positie als bestuurder of schuldeiser? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat ondernemingsrecht.

 

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?