Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Overzicht Delen
Ondernemingsrecht

De Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen en (het ontslag van) de stichtingsbestuurder

Eveline Bakker

23 maart 2021 - 2 minuten leestijd

Vanaf 1 juli 2021 zal de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen in werking treden. De aanlooptijd van deze wet is lang; er wordt al sinds 2016 over gesproken. Een van de onderwerpen die met de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen zal gaan wijzigen betreft de schorsing/het ontslag van een bestuurder van een stichting door de rechtbank. Op dit moment kan een bestuurder van een stichting door de rechtbank onder andere worden ontslagen indien deze bestuurder iets doet of nalaat in strijd met de wet of de statuten van de stichting of zich schuldig maakt aan wanbeheer. Met de inwerkingtreding van de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen zal ontslag van een stichtingsbestuurder door de rechtbank mogelijk zijn op de volgende gronden:

  • Verwaarlozing van zijn taak;
  • Gewichtige redenen;
  • Ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voorduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.

Belangrijk is dat deze mogelijkheid tot schorsing en ontslag ook zal gaan gelden voor commissarissen of leden van een toezichthoudend orgaan. Dat is relevant, juist nu met de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen een wettelijke basis wordt gevormd voor het instellen van een toezichthoudend orgaan bij onder andere een stichting en een vereniging.

Daarnaast is van belang dat met een wijziging van de gronden wordt getracht beter aan te sluiten bij de praktijk. In augustus 2020 heeft het Gerechtshof Amsterdam zich nog over een dergelijke kwestie gebogen. Een derde partij trachtte daarbij, als belanghebbende, het ontslag van het bestuur van een stichting te bewerkstelligen. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde echter dat onvoldoende was toegelicht welke ontoelaatbare gedragingen de bestuurder van de stichting konden worden verweten en dat onvoldoende was toegelicht dat sprake was geweest van wanbeheer. Daarnaast leek de belanghebbende in deze procedure een ander doel te hebben. Het Gerechtshof Amsterdam merkte namelijk op dat de betreffende procedure voor schorsing en ontslag niet kon worden gebruikt om informatie te vergaren. De partij die de schorsing/het ontslag had verzocht, had naar het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam dan ook geen redelijk belang. Kortom: van ontslag was geen sprake.

Heeft u vragen naar aanleiding van het voorgaande of bijvoorbeeld over de wijzigingen uit de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen? Neem dan contact op met Eveline Bakker.

Ook interessant?