Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Ondernemingsrecht

De Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen en bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement

Sonja Geldermans

31 maart 2021 - 2 minuten leestijd

Op 1 juli 2021 zal de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen in werking treden. In een eerder blog is ingegaan op de mogelijkheden die de wet introduceert voor het ontslag van stichtingsbestuurders. Een andere wijziging ziet op de aansprakelijkheid van bestuurders van stichtingen en verenigingen. De wettelijke regeling voor aansprakelijkheid in faillissement die nu alleen ziet op bestuurders van formele en commerciële rechtspersonen zal vanaf 1 juli 2021 van toepassing zijn op bestuurders van alle stichtingen en verenigingen.

De wet bevat een regeling voor de aansprakelijkheid van het bestuur (en de raad van commissarissen) in geval van faillissement. Het bestuur is aansprakelijk voor het boedeltekort in het faillissement indien:

  1. Er sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur; en
  2. dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.

De bewijslast rust in beginsel op de curator. Om zijn taak makkelijker te maken, bevat de wet ook een tweetal bewijsvermoedens: indien het bestuur niet aan zijn administratie- of publicatieverplichtingen heeft voldaan, staat vast dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. Daarnaast bestaat het vermoeden dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement, tenzij het bestuur aantoont dat dit niet het geval was.

Voor de wetswijziging was deze regeling uitsluitend van toepassing op het bestuur van een BV of NV en dat van een formele (bij notariële akte opgerichte) vereniging en commerciële stichting. Op 1 juli 2021 komt hier verandering in en wordt de regeling uitgebreid naar het bestuur van alle verenigingen en stichtingen. Ook het bestuur van informele verenigingen en niet-commerciële stichtingen kan in faillissement aansprakelijk worden gesteld. Deze wijziging kon op kritiek rekenen: het heeft immers tot gevolg dat vrijwillige bestuurders van bijvoorbeeld de lokale voetbal- of buurtvereniging persoonlijk aansprakelijk kunnen zijn voor het boedeltekort. Dit zou vrijwilligers kunnen afschrikken om actief te worden in het bestuur van kleine verenigingen of stichtingen.

De wetgever is enigszins aan deze kritiek tegemoet gekomen: de bewijsvermoedens ten aanzien van onbehoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op het bestuur van de informele vereniging en de niet-commerciële stichting. Hoewel hierdoor de bewijslast voor aansprakelijkheid hoger ligt, loopt het bestuur nog steeds een aansprakelijkheidsrisico bij faillissement.

Heeft u vragen over aansprakelijkheid in faillissement of over andere wijzigingen uit de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen? Neem dan contact op met Sonja Geldermans.

Ook interessant?