Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Ondernemingsrecht

De uitleg van garanties in koopovereenkomsten van aandelen

Tim de Vries

27 september 2019 - 3 minuten leestijd

Een koper van aandelen vraagt normaal gesproken garanties van de verkopende partij. Voor de koper is van groot belang dat deze garanties helder worden opgeschreven. Een voorbeeld.

In een recente zaak die aan de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2019:4356) werd voorgelegd, speelde het volgende. M en Z sluiten een koopovereenkomst inzake 25% van de aandelen in R B.V. De koopprijs voor de aandelen is gebaseerd op het geconsolideerde en gegarandeerde eigen vermogen na winstbestemming per 31 december 2008 van R en van haar dochtervennootschappen. Met betrekking tot de met betrekking tot de balans per 31 december 2008 van R en haar dochtervennootschappen, wordt door Z gegarandeerd dat alle vorderingen, waaronder vordering op debiteuren, en nog te factureren bedragen, onder aftrek van een voorziening ten behoeve van oninbaarheid volledig geïncasseerd worden in 2009 en/of 2010. Voor schulden en/of verplichtingen die niet zijn voorzien in deze jaarrekening zullen R en Z ieder voor 37,5% aansprakelijk zijn.

In 2012 verwerft M nogmaals een aandelenpakket en sluit een tweede koopovereenkomst met Z. Daarin staat dat de bepalingen van de eerste koopovereenkomst van september 2009 onverkort van toepassing zijn op de tweede koopovereenkomst.

Vervolgens ontstaat een geschil tussen een dochtervennootschap van R en een derde partij. De dochtervennootschap verliest de gerechtelijke procedure, en moet aan de derde partij een bedrag betalen. Voor dit bedrag is geen voorziening opgenomen op de balans per 31 december 2011.

Met een beroep op de garanties claimt M schadevergoeding. M grondt haar vorderingen primair op de stelling dat de balansgarantie per 31 december 2008 uit de eerste koopovereenkomst, via de verwijzing daarnaar in de tweede koopovereenkomst, moet worden begrepen als een balansgarantie per 31 december 2011. Z betwist dat. Voor de beoordeling van de vorderingen van M moeten de koopovereenkomsten worden uitgelegd. Daarvoor is het zogenaamde Haviltex-criterium van belang: bij de uitleg van overeenkomsten komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard, op de zin die zij in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die verklaringen en de in die overeenkomsten vervatte bedingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht.

De rechtbank gaat niet mee in de uitleg die M aan de bewoordingen van de balansgarantie geeft. Die bewoordingen bieden geen enkel aanknopingspunt voor het standpunt van M dat een balansgarantie voor de balans per 31 december 2011 overeen is gekomen. Van een garantie mag in het algemeen worden verwacht dat deze expliciet wordt overeengekomen en als zodanig wordt opgeschreven. Ook het argument dat de bepalingen van de eerste koopovereenkomst “onverkort” van toepassing zijn, overtuigt de rechter niet. Als M dit had bedoeld, had zij moeten opnemen dat de bepalingen “mutatis mutandis” of “overeenkomstig” van op de tweede koopovereenkomst van toepassing zijn.

Ook het standpunt dat geen voorziening voor de procedure van de dochtervennootschap is getroffen, kan M niet baten. De rechtbank oordeelt dat het begrip “voorzien” verschillende betekenissen kent. M heeft niets gesteld over feiten of omstandigheden waaruit Z kon opmaken dat M met “voorzien” de beperkte uitleg bedoelde van een voorziening op de balans. Bovendien waren M en Z bij de tweede koopovereenkomst geen onbekenden (meer) van elkaar. M had al een aandelenpakket en had eerder al interesse getoond in een meerderheidsbelang. Ten tijde van de tweede koopovereenkomst had M dus geenszins de positie van een onbekende koper. Als aandeelhouder werd zij geïnformeerd en ook als bestuurder bij belet en ontstentenis had zij een zekere informatiepositie.

Deze laatste argumenten overtuigen mij meer als grondslag voor afwijzing van de vordering dan de onduidelijkheid die de rechtbank aan het woord “voorzien” toedeelt. Dat in een overnameovereenkomst het woord “voorzien” samenhangt met “voorziening” in de boekhoudkundige zin van het woord – zeker nu naar de jaarrekening wordt verwezen – komt mij niet vreemd voor.

Tim de Vries, advocaat Ondernemingsrecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?