Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
IT, IE & Privacy

De exceptie van artistieke vrijheid inzake merkgebruik

Teun Pouw

29 oktober 2019 - 3 minuten leestijd

Het nieuwe jaar 2020 staat nagenoeg alweer om de hoek, hetgeen om 00:00 uur vanzelfsprekend wordt gevierd. Ook wel hét moment voor menigeen om luxe bubbels uit de kast te halen: een fles Dom Pérignon met het elegante etiket en (minder elegante) prijskaartje. Een goed begin voor het nieuwe jaar, zo zal de beau monde denken. Of toch niet? Het merk heeft na de uitspraak van het Benelux Gerechtshof wellicht enige mate van haar gratie verloren, nu de rechter heeft geoordeeld dat de artistieke vrijheid als ‘geldige reden’ kan dienen voor de gebruikmaking van een merk dat toebehoort aan een ander. In dit geval mogelijkerwijs ook voor het gebruik van het merk Dom Pérignon voor kunstwerken met een ‘nogal ironiserende en erotische inslag’.

Merkhouder Moёt Hennesy Champagne Services (MHCS) verhandelt wereldwijd haar champagne onder de naam Dom Pérignon in ‘karakteristieke buikachtige flessen met een lange hals en een schildvormig etiket’. Een fles die bij het grote publiek bekend is en wordt geassocieerd met termen als chic, sierlijk en exclusief. Een mooie reputatie die nu wellicht op ontoelaatbare wijze is aangetast, aangezien een Belgische popart kunstenaar verscheidene werken heeft vervaardigd en aangeboden waarin de welbekende champagnefles, veelal met (soort)gelijke naam, op ironische en erotische wijze wordt afgebeeld (zie de website van Cedric Art Galery).

 (On)rechtmatig merkgebruik?

Indien de tekens in de kunstwerken duidelijk identificeerbaar zijn en aldus sterk overeenstemmen met het merk Dom Pérignon, kan MHCS het gebruik in beginsel verhinderen. Zulks verbod is mogelijk wanneer de kunstenaar geen geldige gebruiksreden heeft en met het gebruik onrechtmatig voordeel behaalt of afbreuk doet aan de reputatie van het merk.[1] Volgens de kunstenaar is daar echter geen sprake van, aangezien de werken enkel een uiting zijn van zijn verkenning van de grenzen tussen de markering en de kunst. Hij stelt dat zijn artistieke vrijheid, vallend onder de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting, derhalve als geldige reden dient. De Rechtbank van Koophandel Brussel heeft hieromtrent een prejudiciële vraag gesteld aan het Benelux Gerechtshof:

‘’Kan de vrijheid van meningsuiting, en de artistieke vrijheid in het bijzonder, zoals gewaarborgd door artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en artikel 11 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, een ‘geldige reden’ uitmaken in de zin van artikel 2.20.1.d – thans gewijzigd in 2.20.2.d. – van het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (BVIE)?’’

Aangezien de ingeroepen bepaling van het BVIE een omzetting betreft van EU-regelgeving, verwijst het Gerechtshof naar het arrest Leidseplein Beheer/Red Bull van het Europese Hof van Justitie (HvJ). Hierin is het begrip ‘geldige reden’ nader uitgelegd:

‘’Het begrip geldige reden niet alleen objectief dwingende redenen kan omvatten, maar ook kan aanknopen bij subjectieve belangen van een derde die een teken gebruikt dat gelijk is aan of overeenstemt met het bekende merk.’’[2]

En zodoende:

‘’… een evenwicht te vinden tussen de betrokken belangen door, in de specifieke context van richtlijn 2015/2436 …, rekening te houden met de belangen van de derde die dit teken gebruikt. Wanneer een derde een geldige reden inroept voor het gebruik van een teken dat overeenstemt met een bekend merk, kan dat dus niet tot gevolg hebben dat te zijner gunste rechten worden erkend die verbonden zijn met een ingeschreven merk, maar wordt de houder van het bekende merk verplicht het gebruik van het daarmee overeenstemmende merk te tolereren.’’[3]

De richtlijn waarnaar het Hof verwijst, bepaalt verder het volgende:

‘’Het gebruik van een merk door derden met het oog op artistieke expressie moet als billijk worden beschouwd wanneer dit gebruik tevens strookt met de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel. Voorts moet deze richtlijn worden toegepast op een wijze die de volledige inachtneming van fundamentele rechten en vrijheden, en in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting, waarborgt.’’[4]

Conclusie

Naar aanleiding van het voorgaande heeft het Gerechtshof geoordeeld dat de artistieke vrijheid als geldige reden kan dienen wanneer de kunstuiting het originele resultaat is van een creatief vormgevend proces. Die kunstuiting mag echter niet dienen ter onderscheiding van waren of diensten, en niet gericht zijn op het toebrengen van schade aan het merk of de merkhouder. Bij die beoordeling dient de rechter alle relevante omstandigheden van het geval in acht te nemen. De uitspraak brengt derhalve een soort vrijwaring mee voor kunstenaars inzake de gebruikmaking van andermans merken, mits binnen voornoemd kader wordt gebleven. Zoals gebruikelijk heeft het Gerechtshof de zaak weer terug verwezen naar de Belgische rechter. Of deze in casu ook daadwerkelijk in het voordeel van de popart kunstenaar gaat oordelen, zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval en zijn oordeel over de billijkheid van de artistieke expressie. Ik houd u op de hoogte…

Teun Pouw, Advocaat IT-/IE-recht en BMM-merkengemachtigde

Met dank aan student-stagiaire Marit Bolle

[1] Zie artikel 2.20, lid 2, onder d van het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (BVIE).
[2] Rechtsoverweging 45.
[3] Rechtsoverweging 46.
[4] Considerans 27.
Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?