Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

De CRvB-formule bij ontslag van de ambtenaar; hoe zat het ook alweer? En na de normalisering?

Vincent Stavleu

29 augustus 2017 - 2 minuten leestijd

Zowel het private arbeidsrecht als het ambtenarenrecht kennen een eigen ontslagstelsel, met de daarbij behorende ontslagvergoedingen. De ontslagstelsels zijn met de inwerkingtreding van de WWZ meer op elkaar gaan lijken. Voor de ontslagvergoedingen is dit juist niet zo. Hoe zit het ook alweer?

In het arbeidsrecht kenden we tot de WWZ (1 juli 2015) de kantonrechtersformule. Deze werd berekend met drie factoren: (i) het salaris, (ii) het aantal gewogen dienstjaren en (iii) de correctiefactor, de zogenaamde C-factor. Ná de WWZ bestaat deze vergoeding niet meer en kennen we twee soorten ontslagvergoedingen: de transitievergoeding en de billijke vergoeding.

De transitievergoeding is verschuldigd als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever wordt beëindigd én deze op dat moment ten minste 24 maanden heeft geduurd. De omvang van de transitie vergoeding wordt door de wet bepaald en de aanspraak daarop is vrijwel automatisch.

Dit is voor de billijke vergoeding minder vanzelfsprekend: de werknemer moet aantonen dat de werkgever ‘ernstig verwijtbaar’ heeft gehandeld. Inmiddels bestaat hierover al de nodige rechtspraak.

Daar waar de ‘normale’ werknemer aanspraak kan maken op deze vergoedingen, maakt de ambtenaar onder omstandigheden aanspraak op de zogenaamde aanvullende vergoeding. Dit is het geval als zijn overheidswerkgever een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en laten voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. De omvang van de aanvullende vergoeding wordt berekend met de zogenaamde CRvB-formule. Inmiddels is het ruim 4 jaar geleden dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) deze introduceerde.

De CRvB-formule waarmee de aanvullende vergoeding voor de ambtenaar wordt berekend, kent veel gelijkenissen met de kantonrechtersformule.

 

De CRvB-formule

Soms bestaat bij ontslag van de ambtenaar op ‘andere gronden’ – artikel 99 ARAR of 8:8 CAR-UWO – aanspraak op een aanvullende vergoeding. Ontslag op ‘andere gronden’ kan bijvoorbeeld wegens een verstoorde verhouding of een in de loop der tijd ontstane impasse die aan een vruchtbare samenwerking in de weg staat. Voor de aanspraak op de vergoeding is vereist dat de overheidswerkgever een ‘overwegend aandeel’ heeft (gehad) in het ontstaan of voortbestaan van die situatie die tot het ontslag leidt. De formule die vervolgens wordt toegepast, is de volgende:

     A = het bruto maandsalaris (inclusief in ieder geval vakantietoeslag)

     B = het aantal dienstjaren gedeeld door 2

     C = de verwijtbaarheidsfactor van: 0,5, 0,75 of 1

De hoogte van de C-factor hangt af van de mate van het aandeel van de overheidswerkgever in de ontstane situatie. Dit is gekoppeld aan een aandeel van 51-65%, 65-80% en 80-100%. Bij een aandeel tot en met 50% is de C-factor nul en bestaat geen aanspraak op een aanvullende vergoeding.

 

De CRvB-formule en de normalisering

Januari 2020 moet het zover zijn: de normalisering van de rechtspositie van de ambtenaren. Opvallend is dat de wetgever met de WWZ de kantonrechtersformule over boord heeft gedaan, vlák nadat de CRvB zijn formule invoerde. Vooralsnog ziet het ernaar uit dat er na de normalisering ten aanzien van de genormaliseerde ambtenaren geen plaats meer zal zijn voor de CRvB-formule. Hoe zit dat dan met de zogenoemde ‘blijf-ambtenaren’ (zoals militairen, notarissen en politieambtenaren)? Behouden zij deze aanspraak wel? Of zal ook voor hen worden aangesloten bij de regulieren ontslagvergoedingen? De tijd zal het leren!

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?