Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
FranchiserechtOndernemingsrecht

Als de rook is opgetrokken toch gehouden aan een non-concurrentiebeding

Jan-Willem Kolenbrander

6 februari 2019 - 2 minuten leestijd

Onlangs heeft de rechtbank Rotterdam een ex-franchisenemer veroordeeld tot nakoming van een postcontractueel non-concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst. Dat beding verbood de ex-franchisenemer om gedurende een jaar na het einde van de samenwerking in het aangewezen rayon concurrerende activiteiten te ontplooien.

Feiten

Partijen hadden een franchiseovereenkomst met elkaar gesloten teneinde de franchisenemer in staat te stellen een franchise te exploiteren gericht op de verkoop van elektronische sigaretten en toebehoren. Op enig moment ontstond er echter een discussie tussen de franchisegever en de franchisenemer over al dan niet deugdelijke nakoming van de franchiseovereenkomst. Als gevolg van die discussie ontbond de franchisenemer uiteindelijk de franchiseovereenkomst.

Vervolgens ging de franchisenemer onder eigen naam op de betreffende locatie door met de verkoop van elektronische sigaretten en toehoren. En dat was weer tegen het zere been van de franchisegever omdat in de franchiseovereenkomst een postcontractueel non-concurrentiebeding was opgenomen dat de franchisenemer verbood om gedurende een periode van één jaar na het einde van de franchiseovereenkomst op die locatie concurrerende activiteiten te ontplooien.

De rechtszaak

In de rechtszaak die volgde op de ontbinding door de ex-franchisenemer (ECLI:NL:RBROT:2018:9610 – klik hier voor het volledige vonnis) vorderde de franchisegever nakoming van het postcontractuele non-concurrentiebeding. De rechtbank stelt in die procedure vast dat de franchiseovereenkomst is geëindigd en dat om die reden het non-concurrentiebeding van kracht is geworden. En dat het beding moet worden nageleefd. Dat is wat betreft de rechtbank dan ook het uitgangspunt.

De diverse redenen die de franchisenemer vervolgens aandraagt waarom van dit uitgangspunt met worden afgeweken, worden helaas niet gevolgd door de rechtbank. Zo merkt de rechtbank op dat er knowhow is overgedragen, alsmede ondersteuning en bijstand is verstrekt, door de franchisegever die beschermd mag worden door een non-concurrentiebeding. De juistheid van de verwijten van de ex-franchisenemer aan het adres van de franchisegever kunnen door de rechter in het kader van het kort geding niet worden beoordeeld. Er kan dus ook niet worden beoordeeld of het redelijk is dat de franchisegever in de gegeven omstandigheden een beroep doet op het non-concurrentiebeding. Het feit dat de franchisenemer nog enige tijd gebonden is aan een huurovereenkomst maakt dat niet anders. Verweren van de franchisenemer in het kader van de mededingingswet en het arbeidsrecht worden evenmin gehonoreerd door de rechtbank.

Kortom

Uit voornoemde kwestie blijkt wederom dat een postcontractueel non-concurrentiebeding niet eenvoudig opzij gezet kan worden door een vertrekkende franchisenemer. Een franchisenemer dient bij het bepalen van zijn plannen na het einde van de franchise dan ook de juiste afwegingen te maken om (juridische) ongelukken te voorkomen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?