Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Afstand van recht in eerste rechtszaak breekt franchisenemer in hoger beroep op

Jan-Willem Kolenbrander

1 februari 2017 - 2 minuten leestijd

Een hoger beroep bij een gerechtshof zal in principe een volledig nieuwe rechtsgang betreffen, waarbij feitelijke en juridische stellingen opnieuw zullen worden beoordeeld door een hogere rechter. Desalniettemin kunnen er zaken in de oorspronkelijke procedure (in eerste aanleg) aan de orde zijn gekomen, die ook van invloed zijn op het hoger beroep. En dat kan soms vervelende gevolgen hebben voor de partij die, bijvoorbeeld, in eerste aanleg afstand van zijn of haar rechten heeft gedaan, maar daar later in hoger beroep op wil terugkomen.

In dat kader kan gewezen worden op een recente uitspraak van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2017:68 – lees het volledige arrest hier). In die kwestie was er sprake van een juridisch geschil tussen een franchisegever en franchisenemer, waarbij de franchisegever aanspraak maakte op betaling van facturen die de franchisenemer onbetaald had gelaten. De franchisenemer op zijn beurt vorderde een bedrag van € 45.000 aan contractuele boetes, omdat die volgens hem door de franchisegever zouden zijn verbeurd.

In de rechtszaak in eerste aanleg heeft de franchisegever (gedeeltelijk) gelijk gekregen van de rechter. De franchisenemer heeft volledig ongelijk gekregen. De franchisenemer is vervolgens in hoger beroep gegaan en heeft zijn vordering vermeerderd tot € 208.500. Het gerechtshof meent echter dat deze eisvermeerdering geen stand kan houden. In de procedure in eerste aanleg had de franchisenemer enkel een bedrag van € 45.000 gevorderd, hoewel ook een aanvullende boete gevorderd had kunnen worden. De franchisenemer vorderde die aanvullende boete echter niet met de toelichting dat hij “besloten [had] van deze aanvullende boete af te zien”. En daarmee heeft de franchisenemer, aldus het gerechtshof, uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud afstand gedaan van de aanvullende boete. Door deze rechtsverwerking kan deze aanvullende boete – hoe dan ook – niet meer in hoger beroep gevorderd worden.

Deze uitspraak onderstreept dat een partij niet (te) lichtvaardig afstand van zijn rechten moet doen. Omstandigheden kunnen veranderen en als achteraf blijkt dat de partij alsnog een beroep wil doen op dat recht, dan kan dat vanwege rechtsverwerking onmogelijk blijken te zijn. Overigens moet opgemerkt worden dat in voornoemde rechtszaak de rechtsverwerking uiteindelijk geen negatieve consequenties heeft gehad voor de franchisenemer in kwestie; zijn vordering kwam volgens het gerechtshof sowieso niet voor toewijzing in aanmerking, ongeacht de hoogte daarvan.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?