Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Ondernemingsrecht

Afgeleide schade: aandeelhoudersschade door waardedaling van aandelen

Tim de Vries

22 november 2019 - 3 minuten leestijd

Een vennootschap kan schade lijden als gevolg van wangedrag van een derde jegens de vennootschap. De vermogensschade van een vennootschap kan tot gevolg hebben dat een aandeelhouder schade lijdt, omdat de waarde van zijn aandelen vermindert. Komt deze afgeleide schade voor vergoeding in aanmerking?

Sinds het arrest van de Hoge Raad in de zaak ABP/Poot (ECLI:HR:1994:ZC1564) uit 1994, geldt de volgende hoofdregel: indien aan een naamloze of besloten vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen jegens de vennootschap of door gedragingen die tegenover de  vennootschap onrechtmatig zijn, heeft alleen de vennootschap het recht uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen.

Afgeleide schade

Voorbeeld: indien een klant of leverancier van de vennootschap zijn verplichtingen tot betaling of levering niet nakomt, is de vennootschap de aangewezen partij om de schade die daardoor ontstaat bij de klant of leverancier te verhalen. De gedragingen van de klant of leverancier kunnen tot gevolg hebben dat de vennootschap vermogensschade lijdt, die door de vennootschap op de klant of leverancier kan worden verhaald. De vermogensschade van de vennootschap kan vermindering van de waarde van de aandelen meebrengen. Deze schade, die de aandeelhouder lijdt, wordt afgeleide schade genoemd.

Uit de rechtspraak volgt dat de aandeelhouders in beginsel op grond van voor hen ontstaan nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de derde (in het voorbeeld: de klant of leverancier) geldend kunnen maken. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aandeelhouder slechts recht heeft op vergoeding van door hem in deze hoedanigheid geleden schade, als deze schade het gevolg is van schending van een jegens hem geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting. Dit laatste geldt ook indien een bestuurder onnodig en desbewust het faillissement van de vennootschap heeft veroorzaakt voor zijn eigen gewin. Indien de bestuurder van een vennootschap zich aldus gedraagt, leidt dit tot vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap, of zelfs tot waardeloosheid daarvan, en dus tot afgeleide schade van de aandeelhouder(s) van die vennootschap. Indien geen bijkomende omstandigheden zijn gesteld, zoals het opzet om die aandeelhouder aldus te benadelen, kan echter niet worden gesteld dat de bestuurder dusdoende tevens een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden tegenover die aandeelhouder, aldus de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2007:AZ0419 (Tuin Beheer/Houthoff)).

Een aandeelhouder die schadevergoeding wenst wegens waardedaling van aandelen, dient dus concreet toe te lichten dat en hoe de derde door haar handelen een jegens de aandeelhouder specifiek in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.

Recent voorbeeld afgeleide schade

In een zaak die recent door het Hof Amsterdam is behandeld (ECLI:NL:GHAMS:2019:3978), is de aandeelhouder daar niet in geslaagd. De aandeelhouder was van mening dat door toedoen van de bestuurder haar aandelen waardeloos waren geworden. De aandeelhouder baseerde dat op de volgende omstandigheden, die volgens haar leidden tot het oordeel dat sprake is van onbehoorlijk bestuur:

  • de bestuurder heeft ten eigen bate gelden opgenomen, waardoor haar rekening-courantschuld aan de vennootschap opliep tot ruim € 400.000, terwijl daarvoor geen verhaal mogelijk bleek;
  • de bestuurder heeft het faillissement van de vennootschap aangevraagd zonder dit aan de algemene vergadering voor te leggen;
  • de bestuurder heeft geen informatie aan de minderheidsaandeelhouder verstrekt, vanaf 2013 geen jaarrekeningen meer opgesteld en/of ter vaststelling aan de algemene vergadering voorgelegd en heeft haar boekhoudplicht verzaakt; en
  • de bestuurder is heimelijk overgegaan tot het oprichten en besturen van met de vennootschap concurrerende vennootschappen, waarnaar mogelijk omzet van de vennootschap is omgeleid.

Volgens de aandeelhouder bestaat de door haar geleden schade erin dat zij, indien geen gelden aan de vennootschap waren onttrokken, als aandeelhouder dividenduitkeringen zou hebben kunnen ontvangen en/of dat bij een tijdige en ordelijke liquidatie van de vennootschap aan haar mogelijk een gedeelte van het resterend batig saldo zou zijn toegekomen.

Het hof gaat niet in de redenering van de aandeelhouder mee. Volgens het hof betreffen genoemde gedragingen telkens het (ernstig verwijtbaar) tekortschieten van de bestuurder in de nakoming van de op haar jegens de vennootschap rustende verplichting tot een behoorlijke vervulling van haar taak. Oftewel, voor de schade die is ontstaan als gevolg van de onbehoorlijke taakvervulling zou de vennootschap (bij faillissement: de curator) de bestuurder kunnen aanspreken. Dat en waarom dit tevens een schending van een jegens de aandeelhouder in acht te nemen specifieke zorgvuldigheidsverplichting zou opleveren, heeft de aandeelhouder onvoldoende onderbouwd. Dat de bestuurder bij haar handelen het opzet zou hebben gehad om de aandeelhouder te benadelen is niet gebleken. De vordering van de aandeelhouder is daarom niet toewijsbaar.

Heeft u vragen? Neem contact op met Tim de Vries, advocaat ondernemingsrecht.

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?