Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Overzicht Delen
FranchiserechtOndernemingsrecht

Afbouw van een franchiseformule: enkele aandachtspunten

Jan-Willem Kolenbrander

27 juli 2021 - 4 minuten leestijd

‘Aan alles komt een einde’ luidt een bekend spreekwoord. Dat geldt ook voor franchiseformules. Op enig moment komt een franchiseformule te eindigen door afbouw van de formule. Waar moeten partijen dan onder meer rekening mee houden?

In deze blog ga ik het niet hebben over het einde van een franchiseformule vanwege het faillissement van de franchisegever (zie daarvoor bijvoorbeeld dit artikel) maar vanwege afbouw van de formule door de franchisegever. De redenen voor afbouw zijn divers. Zo kan een franchisegever haar formule bijvoorbeeld willen afbouwen, omdat de werving van nieuwe franchisenemers stagneert of omdat de te behalen opbrengsten uit de exploitatie van de formule niet (meer) voldoende zijn. Ook kan het zijn dat er onvoldoende franchisenemers zijn om nog van een netwerk te kunnen spreken. Op enig moment is dan simpelweg niet meer wenselijk om voor een handjevol franchisenemers een formule in stand te houden, inclusief alle moeite en kosten die daarmee gepaard gaan.

Ook zijn er franchisegevers die de aanvullende verplichtingen uit hoofde van de Wet franchise dermate zwaar vinden drukken op hun exploitatie dat zij voor een ander distributiemodel kiezen. Daarnaast kan het voorkomen dat er sprake is van een dermate hoogoplopend conflict tussen de franchisegever en haar franchisenemers dat de franchisegever zo snel mogelijk ‘af wil’ van haar franchisenemers. Een voorbeeld daarvan is een franchisegever die enkele jaren geleden een brief (klik hier) stuurde aan al haar franchisenemers met de mededeling – geparafraseerd – dat de relatie zo verstoord was dat de franchisegever niet meer door wilde met de formule.

Wat de reden uiteindelijk ook is van de afbouw van de formule: behoudens zeer acute (en onvoorziene) omstandigheden zal een franchisegever doorgaans een termijn van afbouw in acht moeten nemen. Dat heeft uiteraard te maken met de looptijd van de betrokken franchiseovereenkomsten. Een franchiseovereenkomsten heeft doorgaans een bepaalde looptijd (vaak: 5 jaar) die in beginsel gerespecteerd moet worden. Behoudens andersluidende afspraken tussen partijen kan er dan niet voortijdig worden opgezegd. Voor franchiseovereenkomsten die een onbepaalde looptijd hebben, kan er in principe op elk moment opgezegd worden.

Op grond van artikel 7:912 BW (Wet franchise) zal een franchisegever bij de afbouw van de formule zich moeten gedragen jegens de franchisenemers als ‘een goed franchisegever’. Een franchisenemer zal zich daarbij moeten gedragen als ‘een goed franchisenemer’. Wat dat precies inhoudt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Doorgaans zal dat bij afbouw betekenen van de zijde van de franchisegever dat er (voldoende) oog is voor de belangen van de franchisenemers en onder meer overleg plaatsvindt over het toekomstperspectief van de franchisenemer (‘leven na de formule’). Denk daarbij onder meer aan ‘doorgaan onder eigen naam’ door de franchisenemer of verkoop van de onderneming van franchisenemer aan franchisegever. De franchisenemer – op zijn beurt – zal op een redelijke en coöperatieve wijze moeten meewerken aan de afbouw van de formule en mag deze afbouw niet onnodig of onredelijk frustreren.

In een recent geschil bij de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2021:3439 – klik hier voor het volledige vonnis) tussen een franchisegever en een franchisenemer speelde de afbouw van een franchiseformule. Medio 2017 had de franchisegever aangegeven dat zij (uiterlijk) 2022 zou stoppen met het faciliteren van franchise in Nederland. De formule zou dan volledig afgebouwd worden.

De franchisegever gaf de toenmalige franchisenemers – het waren er op dat moment ongeveer 65 – twee opties, te weten 1) akkoord gaan met een franchiseovereenkomst van (maximaal) vijf jaar die van rechtswege zou eindigen in 2022, of 2) per direct stoppen met de exploitatie en de winkel(s) verkopen aan de franchisegever.

Eén van de franchisenemers, eigenaar van drie winkels, gaf te kennen de verschillende mogelijkheden tot beëindiging graag op een gedegen wijze te willen afwegen. De waarde van de winkels van franchisenemer werd door een externe partij beoordeeld. Franchisegever bood franchisenemer het bedrag aan dat uit deze beoordeling kwam, maar franchisenemer was van mening dat de waarde van de winkels veel hoger (driemaal) was dan de externe partij had vastgesteld. Partijen onderhandelden vervolgens verder over de afwikkeling van de samenwerking, waarbij medio 2018 franchisenemer nog de laatste franchisenemer van de formule was. Partijen slaagden er uiteindelijk niet in om tot overeenstemming met elkaar te komen, waarna rechtsmaatregelen zijn getroffen door franchisenemer.

Hoewel er in deze kwestie allerlei onderwerpen aan bod komen – zie het vonnis – is er één element dat ik eruit wil lichten, namelijk het verwijt van deze (laatste) franchisenemer dat franchisegever (te) weinig deed om een ‘behoorlijke’ franchiseorganisatie in stand te houden. Ook verweet de franchisenemer de franchisegever dat hij te weinig ondersteuning en bijstand zou krijgen. Stellingen die overigens vaker geuit worden op het moment dat een franchisegever aangeeft haar formule te willen afbouwen. Franchisegever betwistte dat echter en wees erop dat zij stipt aan alle bepalingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst voldeed. Op bepaalde punten deed zij naar eigen zeggen zelfs meer.

De rechtbank merkt op dat er op grond van het (hiervoor al genoemde) artikel 7:912 BW op de franchisegever en franchisenemer een wederzijdse algemene zorgplicht rust. Wat daarbij van beide partijen wordt geëist, hangt af van de omstandigheden van het geval. Er moet niet alleen naar het gedrag worden gekeken, maar ook naar de situatie waarin zich dit gedrag voordoet en de maatschappelijke context.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat de franchisegever op grond van artikel 7:919 BW de ondersteuning en bijstand dient de verlenen die “redelijkerwijs en in relatie tot de aard en de strekking van de franchiseformule verwacht mag worden” met het oog op de exploitatie van de franchiseformule door de franchisenemer.

Nu de franchisegever echter voldeed aan haar verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst was er volgens de rechtbank geen sprake van enige tekortkoming van de franchisegever op dat punt. Door te voldoen aan de franchiseovereenkomst voldeed de franchisegever dus aan haar verplichtingen jegens deze laatste franchisenemer.

De vraag die in deze wel gesteld kan worden, is in hoeverre een (laatste) franchisenemer bij de afbouw van een formule “redelijkerwijs” nog tot het einde aanspraak kan (en mag) maken op onverkorte ondersteuning en bijstand. Is het redelijk dat de franchisegever tot het einde een (mogelijk kostbare) backoffice met alle toeters en bellen ‘in de lucht’ moet houden voor één franchisenemer? Of is het redelijk dat een laatste franchisenemer moet accepteren dat – vanwege de afbouw – bepaalde zaken op enig moment anders zullen lopen dan voorheen? Het antwoord op die vraag zal sterk afhangen van de omstandigheden van het geval zelf. Hoe dan ook dienen franchisenemer en franchisegever met oog voor de wederzijdse belangen te handelen, dus ook bij de afbouw van de formule.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Ook interessant?