Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Tevergeefs beroep van franchisenemer op billijke vergoeding via huurrecht

Jan-Willem Kolenbrander

8 maart 2016 - 2 minuten leestijd

Zoals bekend, is de huurovereenkomst van bedrijfsruimte een overeenkomst die expliciet in de Nederlandse wet is geregeld. Eén van de regelingen in het Nederlandse huurrecht betreft de billijke vergoeding bij het einde van de huurovereenkomst.

In artikel 7:308 BW is bepaald dat een verhuurder in bepaalde gevallen gehouden kan zijn aan de huurder een billijke vergoeding te verstrekken als de verhuurder de huurovereenkomst heeft opgezegd en vervolgens een gelijk(soortig) bedrijf ter plaatse gaat uitoefenen. Geniet de verhuurder daardoor voordeel dan kan de huurder een billijke vergoeding vorderen.

De ratio achter dit artikel is te voorkomen dat een verhuurder een prikkel zou hebben om een huurovereenkomst met een verhuurder op te zetten enkel met het doel gebruik te kunnen maken van de door de huurder opgebouwde naamsbekendheid en goodwill door in het bedrijfspand zelf (of door een ander) een gelijkwaardige onderneming te (laten) exploiteren.

Artikel 7:308 BW kan ook een rol spelen in franchisezaken waarbij de franchisegever en de franchisenemer niet alleen een franchiseovereenkomst hebben gesloten maar eveneens een (onder)huurovereenkomst voor de huur van bedrijfsruimte. Komt de (onder)huurovereenkomst door opzegging van de franchisegever te eindigen en geniet de franchisegever vervolgens voordeel van het feit dat in het bedrijfspand aansluitend een gelijk(soortige) onderneming wordt geëxploiteerd, dan kan een franchisenemer mogelijk een billijke vergoeding vorderen.

In een recente kwestie bij de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2015:11974 – lees het vonnis hier) vorderde een franchisenemer een dergelijke billijke vergoeding nadat de franchisegever de (onder)huurovereenkomst had opgezegd. De franchisegever had een concessie van de luchthaven Schiphol gekregen om koffers machinaal te verzegelen (‘sealen’). Dit concept werd aan de franchisenemer in licentie versterkt. In de periode van 2008 tot 2013 had de franchisenemer vervolgens zijn werkzaamheden uitgevoerd. Daarna had de franchisegever zowel de franchise- als (onder)huurovereenkomst opgezegd met als doel om de exploitatie voort te zetten. De franchisenemer had daarin berust, maar wilde wel een billijke vergoeding uit hoofde van artikel 7:308 BW.

Volgens de franchisegever had de franchisenemer echter geen recht van spreken, omdat hij had berust in de opzegging. Daarin gaat de rechter niet mee; weliswaar had de franchisenemer berust in de opzegging, maar dat laat een beroep op artikel 7:308 BW onverlet. Wel meent de rechter dat er geen sprake is van voordeel aan de zijde van de franchisegever, omdat enig voordeel voortvloeit uit de aard en ligging van de bedrijfsruimte (Schiphol). Er is kennelijk geen sprake van (noemenswaardige) concurrentie op Schiphol en eventuele klanten konden alleen terecht bij de franchisenemer.

Vanwege de specifieke aard van deze franchise is deze kwestie niet representatief te noemen voor franchise in Nederland. Wel geeft deze zaak treffend aan dat franchisegevers zich er bewust van moeten zijn dat een franchisenemer na een opzegging van de huurovereenkomst door de franchisegever mogelijk aanspraak kan maken op betaling van een billijke vergoeding als daar aanleiding toe is. Gedegen afspraken maken blijft dan ook relevant.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?