Feiten

Een echtpaar stond aan het roer van zorggroep Diogenes, die zich bezighield met het bieden van huisvesting aan en het verzorgen van dagbesteding voor mensen met een verstandelijke handicap. Op enig moment trekken oud-medewerkers van de zorggroep aan de bel. Zij uiten hun zorgen over de gang van zaken binnen Diogenes: bewoners zouden worden gestraft en gekleineerd en worden opgestookt richting familie en medewerkers. Ook waren er problemen met de medicatieverschaffing en het personeelsbeleid en was sprake van manipulatie op financieel gebied. Meerdere klachtencommissies, inspectiediensten en kenniscentra doken op de zaak, die inmiddels veel media-aandacht kreeg. Bewoners vertrokken en aanwas van nieuwe cliënten bleef uit, zodat de inkomsten snel daalden en het faillissement van de tot Diogenes behorende ondernemingen werd uitgesproken.

Vordering curator

De curator van Diogenes vordert een verklaring voor recht dat de bestuurders hun taken onbehoorlijk hebben vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Diogenes. Dit betekent dat de bestuurders in privé hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het tekort van de boedel (art. 2:248 BW; voor de tot Diogenes behorende failliete stichting is deze grondslag art. 2:300a jo. 2:138 BW).

Juridisch kader bestuurdersaansprakelijkheid

De rechtbank zet eerst het toetsingskader uiteen. Zij overweegt dat de vraag of het bestuur zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld, moet beoordeeld worden naar hetgeen het bestuur voorzag of kon voorzien op het moment dat het die taak vervulde. Het is niet de bedoeling bestuurders te straffen voor onopzettelijke domheden en beleidsfouten. Door het woord “kennelijk” wordt uitgedrukt dat slechts een in het oog springende bij wijze van spreken elke twijfel uitsluitende onbehoorlijkheid van de taakvervulling in aanmerking moet worden genomen. Van kennelijk onbehoorlijk bestuur kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus zou hebben gehandeld. In de beoordeling van de vraag of sprake is van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling dienen alle ter zake dienende omstandigheden van het geval in totaliteit en in onderling verband en samenhang beschouwd, te worden betrokken. Uit de wetsgeschiedenis volgt bovendien dat de bestuurders moeten hebben gehandeld met de (objectieve) wetenschap dat de schuldeisers zullen worden benadeeld. De kennelijk onbehoorlijke taakvervulling behoeft niet de enige oorzaak van het faillissement te zijn, maar moet daaraan wel in belangrijke mate hebben bijgedragen. Het is voldoende indien de curator in het faillissement het causaal verband tussen de onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement aannemelijk maakt.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat veelal een beroep op art. 2:248 BW wordt gedaan in gevallen waarin bestuurders onverantwoorde beslissingen op financieel gebied hebben genomen. De rechtbank kiest een enigszins bijzondere route: naar haar oordeel zijn de bestuurders tekortgeschoten op zorginhoudelijk gebied, zoals het onvoldoende scholen van personeel en kwalitatieve verbetering van de zorgverlening. Ook dit – een andere bestuurlijke tekortkoming dan een (directe) financiële misslag – kan grote gevolgen hebben voor de vermogens- en liquiditeitspositie van de onderneming.  (Bron: annotatie S.L. Rive bij deze uitspraak.)

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de bestuurders op enig moment moeten kunnen begrijpen dat door hun handelwijze het voortbestaan van de onderneming op het spel werd gezet en dat de onderneming ook financieel schade zou leiden waardoor – uiteindelijk – schuldeisers zouden worden benadeeld. “Zelfs als zij zich niet realiseerden dat zorgwetgeving op Diogenes van toepassing is – wat op zich al kwalijk te noemen is – moeten zij zich ervan bewust zijn geweest dat een goede bejegening en het bieden van veiligheid essentieel zijn voor het behoud van cliënten en de continuïteit van hun bedrijf. In die (basis)voorziening zijn zij – naar genoegzaam is gebleken – ernstig tekortgeschoten.”

Kortom: indien het veronachtzamen van toepasselijke zorgwetgeving en het tekortschieten op zorginhoudelijk terrein ertoe leiden dat de vermogens- en liquiditeitspositie van de zorgonderneming verslechteren en aannemelijk is dat deze handelingen een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement, kunnen – onder omstandigheden – de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor het tekort van de boedel. Een andere bestuurlijke tekortkoming dan een financiële misslag kan leiden tot een faillissement. De primaire vordering van de curator werd toegewezen.

Tot slot

De advocaten van De Clercq Advocaten Notarissen hebben veel ervaring met het adviseren en procederen over bestuurdersaansprakelijkheidskwesties.

Vragen?

Heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid, neemt u contact op met Tim de Vries, Advocaat Ondernemingsrecht.