Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Franchisegever wil verlenging van één jaar aanbieden, maar franchisenemer krijgt er vijf

Jan-Willem Kolenbrander

25 januari 2016 - 2 minuten leestijd

Het komt met enige regelmaat voor dat een franchisegever zich geconfronteerd ziet met een franchisenemer die onvoldoende presteert, maar mogelijk wel kan verbeteren op termijn.

Met het einde van de contractuele looptijd van de franchiseovereenkomst in zicht heeft de franchisegever dan eigenlijk twee opties:

  1. de samenwerking definitief beëindigen met de franchisenemer om geen risico te nemen of
  2. de franchisenemer het voordeel van de twijfel te geven en eerst een beperkte verlenging aanbieden van bijvoorbeeld één jaar om te kijken of er een verbetering kan worden gerealiseerd. Is daar sprake van, dan kan vervolgens de volledige vijf jaar worden aangeboden.

Gaat de franchisenemer schriftelijk akkoord met route b) dan is er niet zoveel aan de hand. Anders kan het zijn als de franchisenemer niet akkoord gaat en partijen feitelijk nog samenwerken na het (formele) einde van de looptijd. Als de franchiseovereenkomst bepaalt dat er dan een verlenging van vijf jaren geldt, dan kan de franchisegever alsnog gebonden zijn aan een franchisenemer voor een periode van vijf jaren, hoewel die intentie er totaal niet is.

In dat kader kan verwezen worden naar een recente kwestie die speelde bij de president van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2015:9794 – lees het vonnis hier). In die kwestie waren franchisegever en franchisenemer aan het onderhandelen over de verlenging van hun franchiseovereenkomst. De franchisegever wilde echter slechts een verlenging van één jaar aanbieden, omdat de franchisenemer kennelijk niet optimaal functioneerde en niet voldeed aan bepaalde kwalitatieve verplichtingen. De franchisenemer op zijn beurt wilde echter een opvolgend termijn van vijf jaren krijgen, zoals ook contractueel was vastgelegd in de franchiseovereenkomst. En terwijl partijen aan het onderhandelen waren, werd de looptijd van de franchiseovereenkomst overschreden en de samenwerking feitelijk voortgezet.

In het kort geding dat vervolgens aanhangig werd gemaakt door de franchisenemer om meer duidelijkheid over de toekomst te verkrijgen, werd hij niet-ontvankelijk verklaard door de rechter, omdat niet voldoende was komen vast te staan dat de franchisenemer een spoedeisend belang had bij een kort geding.

Wel merkte de rechter ten overvloede op dat de franchisenemer in principe recht had op een verlenging van vijf jaren, omdat dit contractueel was bepaald in de franchiseovereenkomst. Nu partijen de samenwerking niet per einde looptijd (feitelijk) hadden beëindigd, is de samenwerking met een periode van vijf jaren verlengd in de visie van de rechter. Het feit dat de franchisegever – buiten de bepalingen van de franchiseovereenkomst om en zonder akkoord van de franchisenemer – deze termijn tot één jaar wilde beperken, is rechtens niet juist volgens de rechter.

Een franchisegever wil voorgaande situatie uiteraard graag voorkomen. Een directe oplossing voor dergelijke problematiek is om de franchisenemer twee opties voor te leggen: of hij gaat schriftelijk akkoord met een (verkorte) verlenging van één jaar of de franchisegever verstrekt in het geheel geen verlenging. En uiteraard dient één en ander tijdig te gebeuren, want onderhandelen partijen te laat over deze materie dan kan er al sprake zijn van een verlenging van vijf jaren.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?