Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Arbeid, Medezeggenschap & Pensioen

Verjaring premievordering bedrijfstakpensioenfondsen: per wanneer?

Ernst van Win

15 oktober 2015 - 3 minuten leestijd

Er is al geruime tijd een discussie gaande over de rol van verjaring bij pensioenverplichtingen. Kernpunt in deze discussie is de vraag welke verjaringstermijn geldt bij pensioenverplichtingen en wanneer deze termijn aanvangt. Onlangs, op 5 oktober 2015, heeft de kantonrechter in Utrecht een opvallende uitspraak (ECLI:NL:RBNNE:2015:7254) gedaan aangaande de verjaring van pensioenvorderingen van een bedrijfstakpensioenfonds jegens een onterecht niet aangesloten werkgever. Schept deze uitspraak wat meer duidelijkheid in deze kwestie?

Casus
Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf stelde in 2013 vast dat een werkgever sinds 2004 onder de reikwijdte van haar verplichtstelling viel. Het fonds sommeerde hierop de werkgever om met terugwerkende kracht verschuldigde pensioenpremies te  voldoen over de periode 2004-2013. De werkgever wilde hier niet aan voldoen en verweerde zich met onder meer de stelling dat premievordering niet verder zou kunnen gaan dan de periode 2008-2013. Zulks omdat de vordering over de periode 2004-2008 verjaard zou zijn.

Aanvangsmoment verjaring
De vraag die dus bij de kantonrechter voorlag was of de premievordering over de periode 2004-2008 verjaard was. In zijn overwegingen betrok kantonrechter allereerst het van toepassing zijn van artikel 3:308 BW, mede gezien het bepaalde in artikel 3:326 BW (schakelbepaling). Artikel 3:308 BW bepaalt dat rechtsvorderingen tot betalingen van onder meer geldsommen en voorts alles wat bij het jaar of een korte termijn moet worden betaald, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.

Tweede overweging betrof het discutabele punt hoe dit begrip “opeisbaarheid” geïnterpreteerd moet worden. Men zou kunnen stellen dat deze termijn ingaat op het moment dat het pensioenfonds de werkgever als potentieel deelnemer signaleert (i.c. 2013), maar ook dat deze termijn al op het moment dat de werkgever onder de reikwijdte van de verplichtstelling van het fonds valt (i.c. 2004) aanvangt.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat het moment van opeisbaarheid aanvangt vanaf de dag nadat het fonds een potentiële werkgever signaleert. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat de werkgever primair gehouden is om zijn werknemers aan te melden bij het pensioenfonds en de verschuldigde premie te betalen. Nu de werkgever dit heeft nagelaten, is het pensioenfonds eerst in 2013 bekend geworden met het bedrijf van werkgever. Het verweer van de werkgever dat het pensioenfonds zelf had moeten ontdekken dat zij gehouden was om pensioenpremies te betalen en dat het “niet op gaat om negen jaar stil te zitten” werd verworpen. Van een bedrijfstakpensioenfonds kan immers niet verwacht worden om bij iedere werkgever vast te stellen of deze al dan niet onder haar reikwijdte van de verplichtstelling valt. De kantonrechter oordeelde dus dat de premievordering over de periode 2004-2013 niet verjaard was.

Nabeschouwing
De kantonrechter heeft, in afwijking van eerdere uitspraken, zich in deze kwestie duidelijk uitgelaten over verjaring van pensioenvorderingen tussen een bedrijfstakpensioenfonds en een werkgever. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het moment van opeisbaarheid aanvangt vanaf de dag nadat het fonds een potentieel werkgever signaleert. Dit bekendheidsprincipe is echter, in tegenstelling tot de daarop volgende artikelen, niet verwoord in artikel 3:308 BW.

De kantonrechter lijkt door het primaat van het bekendheidsprincipe een praktische oplossing te hebben willen zoeken voor het probleem waar bedrijfstakpensioenfondsen zich mee geconfronteerd zien. Ik doel hiermee op het feit dat een bedrijfstakpensioenfonds op grond van het principe “geen premie, wel pensioen” gehouden is rechten toe te kennen ongeacht of voor de betreffende (oud-) werknemer in het verleden premies zijn afgedragen. Het maatschappelijk belang in het oog houdend zou hierbij rekening gehouden moeten worden met mogelijke uitholling van de solidariteit en met concurrentievervalsing (arbeidsvoorwaarden en marktverstoring). Tegen deze achtergrond meen ik dat volledige terugwerkende kracht op zijn plaats is.

De kantonrechter heeft in zijn uitspraak ook nog eens onderstreept dat van een bedrijfstakpensioenfonds niet gevraagd kan worden om bij iedere werkgever vast te stellen of deze al dan niet onder haar reikwijdte van de verplichtstelling valt. Deze primaire verplichting ligt op grond van wet- en regelgeving duidelijk bij de werkgever. Het is dus voor een werkgever zeer van belang na te gaan of hij onder een werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds valt. Ook een wijziging van bedrijfsactiviteiten of een bedrijfsovername noopt hiertoe. Dit om te voorkomen dat de werkgever op enig moment geconfronteerd wordt met een hoog oplopende vordering, die dus meerdere jaren (meer dan vijf) kan omvatten.

Of deze zeer recente uitspraak van de kantonrechter de nieuwe standaard zal zetten is nog maar de vraag. Een eventueel hoger beroep zal dit moeten uitwijzen. Wij zullen de ontwikkelingen op de voet volgen en u hiervan op de hoogte houden.

Ibrahim El-Harbachi, paralegal

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?