Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Aanbestedingsrecht

Afvalverwerking aanbestedingsplichtig of toch niet?

Ondernemingsrecht

Menno de Wijs

21 september 2015 - 2 minuten leestijd

mvb2012-01-31-3068 Op 29 juli 2015 heeft de rechtbank een uitspraak gedaan over de vraag of een opdracht met betrekking tot het verwerken van afval moest worden aanbesteed. In deze zaak hadden zes gemeenten twee overheidsopdrachten onderhands gegund aan Afvalsturing Friesland (een naamloze vennootschap waarvan de aandelen in handen zijn van 24 Friese gemeenten).

Het gaat hier om één opdracht voor de verwerking van huishoudelijk restafval en één opdracht voor de scheiding van kunststofverpakkingen afval. Een mooie opdracht met een waarde van +/- € 27 miljoen en dus duidelijk boven de aanbestedingsdrempel.

Een van de concurrenten, AVR Afvalverwerking, meende dat deze overheidsopdrachten aanbestedingsplichtig waren en heeft daarom verzocht de gesloten overeenkomst te beëindigen en alsnog een aanbestedingsprocedure te organiseren.

De gemeenten beriepen zich op een uitzonderingsbepaling (artikel 2.24 aanhef en sub a juncto artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012). Deze uitzonderingsbepaling bepaalt dat de aanbestedingsregels niet gelden als een opdracht wordt gegund aan een andere aanbestedende dienst of een samenwerkingsverband op basis van een uitsluitend recht dat aan die andere aanbestedende dienst of samenwerkingsverband is verleend.

De rechtbank overweegt dat deze nationale regelgeving richtlijnconform moet worden geïnterpreteerd. In casu conform artikel 18 richtlijn 2004/18/EG. Deze bepaling schrijft voor dat het uitsluitend recht moet worden genoten “uit hoofde van bekendgemaakte wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen”. De uitzonderingsbepaling geldt dus alleen als aan de deze voorwaarde wordt voldaan.

De rechtbank oordeelt dat het begrip “bepalingen” ziet op algemeen verbindende voorschriften. In deze zaak waren de besluiten echter niet algemeen verbindend. Het waren slechts interne besluiten van de colleges van B&W. Deze besluiten dienden slechts ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Voorts zijn de besluiten vooraf niet publiekelijk aangekondigd. Na het nemen van de besluiten zijn deze uitsluitend op de gemeentelijke websites gepubliceerd ondanks dat die besluiten naar mening van de gemeenten niet vatbaar waren voor bezwaar en beroep.

Naar het oordeel van de rechtbank hadden de overheidsopdrachten in beginsel qua aard en geraamde waarde aanbesteed moeten worden. De genomen besluiten kwalificeren niet als zijnde genomen “uit hoofde van bekendgemaakte wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen” (conform art. 18 richtlijn 2004/18/EG) en daarom is ook niet voldaan aan de uitzonderingsbepaling op de aanbestedingsplicht zoals opgenomen in artikel 2.24 sub a juncto artikel 1.1 van de aanbestedingswet 2012. De opdrachten hadden dus moeten worden aanbesteed.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van AVR Afvalverwerking wordt toegewezen: de opdracht was aanbestedingsplichtig en de overeenkomsten worden vernietigd.

Per van der Kooi en Menno de Wijs, advocaten aanbestedingsrecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?