De casus

Eiser is manager van een kinderdagverblijf en wilde een softwaresysteem ontwikkelen voor kinderdagverblijven, in de vorm van een webapplicatie.

Met deze app moest op grafische wijze informatie inzichtelijk kunnen worden gemaakt. Het betreft informatie over de ondergebrachte kinderen (zoals hun aanwezigheid, eet- en slaapgedrag, verjaardagen en allergieën), hun ouders/verzorgers (zoals contactinformatie en betalingsgegevens) en de werknemers van het kinderdagverblijf (zoals hun persoonlijke opmerkingen over kinderen en werkroosters).

In september 2012 komen Eiser en Gedaagde in contact via de broer van Eiser. Zij maken vervolgens afspraken over de ontwikkeling van de app (“de eKidz-app”) en de marketing daarvan. In de periode oktober 2012 tot april 2013 hebben ze samen gewerkt aan de ontwikkeling van de app en deze getest bij het kinderdagverblijf van Eiser. Medio 2013 geeft Gedaagde echter aan dat hij de ontwikkelwerkzaamheden moet staken voor een ander project in Zwitserland. In mei 2013 heeft hij vervolgens aan Eiser de toegang tot de bestanden ontzegd en deze op een andere server geplaatst. Hij blijkt de app ook te hebben laten zien aan potentiële nieuwe partners.

Er ontstaat een geschil met onder andere als inzet wie de (auteurs)rechthebbende is ten aanzien van de app. De rechtbank komt na een procedure van zestien maanden met een interessante uitspraak. Om tot haar oordeel te komen, maakt de rechtbank allereerst een duidelijk onderscheid tussen de functionaliteiten, de broncode en de gebruikersinterfaces. Hieronder volgt een korte beschouwing van het oordeel van de rechtbank.

 

Functionaliteiten

De rechtbank concludeert allereerst dat tussen partijen vast staat dat Eiser in grote lijnen de functionaliteiten van de applicatie heeft bedacht. Dit helpt Eiser echter nog niet. De rechtbank oordeelt namelijk: “anders dan [eiser] kennelijk meent, zijn de functionaliteiten van de eKidz-app geen uitdrukkingswijze van een computerprogramma zoals blijkt uit de hiervoor vermelde rechtspraak. De functionaliteiten van de eKidz-app zijn dus ook niet als zodanig als (onderdeel van een) computerprogramma auteursrechtelijk beschermd. Dat die functionaliteiten i.c. als een afzonderlijk auteursrechtelijk werk dienen te worden beschouwd die aan de werktoets voldoet, is door [eiser] niet betoogd.”

Eiser komt er dus niet met zijn (bewezen geachte) stelling dat de functionaliteiten door hem zijn bedacht.

 

Broncode

Tussen partijen komt eveneens vast te staan dat de broncode door Gedaagde is ontwikkeld. Eiser probeert vervolgens desondanks de auteursrechten te claimen met een beroep op artikel 6 Auteurswet (dat bepaalt dat de auteursrechten toekomen aan degene “onder wiens leiding en toezicht” een werk is ontworpen) en artikel 7 Auteurswet (dat de auteursrechten in een arbeidsrelatie in principe bij de werkgever legt).

Het beroep op artikel 6 Aw. wordt echter afgewezen, gelet op de eigen creatieve keuzes die Gedaagde heeft moeten maken. Of met de woorden van de rechtbank:
“De geestelijke prestatie van het schrijven van de broncodes voor de eKidz-app en de daarmee samenhangende creatieve keuzes zijn uitsluitend gemaakt door [gedaagde]. [gedaagde] was daarin volledig vrij mits de met die broncodes gerealiseerde functionaliteit van de applicatie aan de wensen van [eiser] voldeed. Het overleg dat regelmatig plaatsvond en het testen van de applicatie bij Teddy Kids met actuele gegevens van het kinderdagverblijf was gericht op de functionaliteiten en niet op de broncodes van de eKidz-app. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de situatie van artikel 6 Aw niet aan de orde is.”

Ook het beroep op “het werkgeversauteursrecht” als bedoeld in artikel 7 Aw. wordt verworpen, aangezien er van een arbeidsrelatie geen sprake is volgens de rechtbank. Eiser staat dan dus nog steeds met lege handen.

De gebruikersinterfaces

Ten aanzien van twee belangrijke onderdelen van de app komt vast te staan dat Eiser de ontwerper is van de gebruikerinterfaces en dat deze door middel van het schrijven van broncodes door Gedaagde (in grote lijnen) overeenkomstig het ontwerp van Eiser in de eKidz-app zijn verwerkt.

Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de gebruikersinterfaces met de door Gedaagde geschreven broncodes weliswaar zijn samengevoegd tot één applicatie maar dat de afzonderlijke werken wel scheidbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de eKidz-app daarom te beschouwen als een combinatie van werken. Dat betekent dat voor de exploitatie van de eKidz-app in beginsel toestemming vereist is van zowel Eiser als Gedaagde, nu ieder van hen auteursrechten heeft op een deel van de eKidz-app. Doordat Gedaagde zonder toestemming van Eiser de app aan potentiële partners heeft “geopenbaard” is er alsnog sprake van auteursrechtinbreuk door Gedaagde.

 

Overeenkomst

Interessant is nog dat de rechtbank een aantal mondelinge afspraken distilleert die tussen partijen zouden zijn gemaakt en als vaststaand aanneemt. Het betreft onder meer de volgende afspraken:

i) Eiser en Gedaagde zouden gezamenlijk een webapplicatie ontwikkelen en gaan exploiteren voor de kinderdagverblijfsector;
ii) Eiser zou de feitelijke know-how over de kinderdagverblijfsector aan Gedaagde leveren;
iii) Gedaagde zou de software voor de eKidz-app ontwikkelen;
iv)) Ieder der partijen zou 50% van de aandelen in een op te richten vennootschap nemen;
v) Toekomstige winsten zouden op basis van 50% worden verdeeld tussen partijen.

Het verweer van Gedaagde dat het slechts intenties betrof – en dat de samenwerking nog nader moest worden ingevuld – werd afgewezen. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat Gedaagde naast auteursrechtinbreuk ook wanprestatie heeft gepleegd, onder andere door de ontwikkeling van de software te staken.

 

Oordeel rechtbank

De rechtbank veroordeelt Gedaagde onder meer iedere inbreuk op de auteursrechten van Eiser te staken. Tevens moet Gedaagde alle partijen die hij de eKidz-app heeft laten zien, informeren dat hij hiertoe niet gerechtigd was, een en ander op straffe van een dwangsom. Voor wat betreft de schade oordeelt de rechtbank dat het aannemelijk is dat daadwerkelijk schade is geleden door Eiser. Aangezien de hoogte hiervan niet duidelijk is, dient deze echter nog in een aparte procedure (een zogenaamde schadestaat-procedure) te worden vastgesteld.

Eiser is uiteindelijk dus grotendeels in het gelijkgesteld. Het lijkt echter enigszins een pyrrusoverwinning, aangezien Eiser op zijn beurt de app ook niet zonder toestemming van Gedaagde mag exploiteren. Uit het vonnis volgt in dit verband ook dat Eiser reeds een nieuwe programmeur heeft ingeschakeld om nieuwe broncodes te ontwikkelen. Al met al een leerzame les voor de partijen en een interessante uitspraak voor de (IE-)juristen.

De volledige uitspraak vindt u hier.

Vragen?

Heeft u vragen over dit artikel, neemt u dan contact op met ons team IT, Privacy & Cybersecurity.