Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Franchisenemer krijgt geen toestemming voor voorlopig getuigenverhoor

Jan-Willem Kolenbrander

11 februari 2015 - 2 minuten leestijd

In de civiele praktijk is het mogelijk om door middel van een verzoekschrift een zogenaamd voorlopig getuigenverhoor te laten plaatsvinden bij de rechter. Dit is geregeld in de wet in artikel 186 Burgerlijke Rechtsvordering en verder. Tijdens dit getuigenverhoor kunnen verklaringen worden afgenomen van personen in bijzijn van de rechter en op papier vastgelegd worden. Een dergelijk getuigenverhoor kan worden gestart voordat er sprake is van een gerechtelijke procedure, maar ook als er al wel een procedure aanhangig is gemaakt.

Het doel van een voorlopig getuigenverhoor is te voorkomen dat bewijs verloren gaat, bijvoorbeeld omdat mensen dingen vergeten of komen te overlijden. Door direct een verklaring op te tekenen gaat het bewijs niet verloren. Wordt een voorlopig getuigenverhoor gestart voordat een gerechtelijke procedure aanhangig is gemaakt, dan kunnen de verklaringen mogelijk meer duidelijkheid scheppen over de bewijspositie van (één van) partijen. Op grond daarvan kan dan besloten worden om al dan geen procedure te starten.

Onlangs werd bij het gerechtshof Den Bosch (lees de uitspraak hier) gedurende de procedure door de franchisenemer verzocht om een voorlopig getuigenverhoor. Tussen partijen was een geschil ontstaan over een franchiseovereenkomst die ze eerder hadden gesloten. In het voorlopig getuigenverhoor wilde de franchisenemer negen getuigen laten horen om zo te onderbouwen dat de franchisegever toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst. Kennelijk had de franchisenemer in het verzoekschrift onvoldoende concreet aangegeven over welke feiten de getuigen gehoord moesten worden, omdat het gerechtshof het verzoek afwees. Ook was er volgens het hof onvoldoende feitelijk en concreet aangegeven welke getuigen op welk punt gehoord zouden moeten worden. De verwijzing in algemene zin naar de processtukken door de franchisenemer achtte het hof ook niet voldoende concreet. Het toewijzen van het verzoek zou volgens het hof in dit geval dan ook strijdig zijn met de goede procesorde.

Jan-Willem Kolenbrander (advocaat franchise recht)

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?