Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Een exclusief rayon…Of toch niet?

Jan-Willem Kolenbrander

14 januari 2015 - 3 minuten leestijd

In veel franchiseformules verstrekt de franchisegever aan een (kandidaat-)franchisenemer een zogenaamd exclusief rayon. Dat houdt in dat de franchisegever in het betreffende gebied niet mag concurreren met de betreffende franchisenemer door daar een eigen winkel te openen. Ook mag de franchisegever anderen niet in staat stellen om daar de franchise te gaan exploiteren.

Afgezien van het feit dat het verstrekken van een exclusief rayon mededingingsrechtelijke redenen kan hebben, vormt een exclusief rayon ook zekerheid voor de franchisenemer. Hij weet dan dat hij, gedurende de samenwerking met de franchisegever, geen concurrentie hoeft te verwachten vanuit de franchiseformule.

Dergelijke concurrentie kan aanzienlijk problematischer zijn voor een franchisenemer dan een ‘normale’ concurrent. Een concurrent vanuit de eigen formule kan immers gelijke producten en/of diensten verstrekken die onder dezelfde – of zelfs betere – voorwaarden worden aangeboden aan klanten. Een beperking op concurrentie vanuit de formule is dan ook belangrijk voor een franchisenemer.

In de praktijk blijkt echter dat een exclusief rayon soms niet zo exclusief is als in het voorgaande is geschetst. Zo oordeelde het hof in Den Haag (zie hier) bijvoorbeeld dat een landelijke webshop geen inbreuk opleverde op het exclusieve rayon van een franchisenemer. Ook is regelmatig te lezen in franchiseovereenkomsten dat het exclusieve rayon om bepaalde redenen kan worden beperkt of zelfs kan worden opgeheven. Zo ook in de kwestie die besproken wordt in het (nog) niet-gepubliceerde vonnis van 31 december 2014 van de rechtbank Amsterdam (HA ZA 14-561). In die kwestie was de franchisenemer een exclusief rayon toegezegd, maar was de franchisegever contractueel gerechtigd om die exclusiviteit op te heffen op het moment dat de franchisenemer een bepaalde omzetdrempel niet had gehaald gedurende een bepaalde periode. De betreffende franchisenemer behaalde de overeengekomen omzetdrempel niet op grond waarvan de franchisegever hem vervolgens zijn exclusiviteit ontnam.

De franchisenemer maakte daartegen bezwaar bij de rechter, maar vond geen gewillig oor bij de rechtbank in Amsterdam. Aldus de rechtbank (in r.o. 4.4) had de franchisegever de exclusiviteit mogen intrekken nu partijen dat met elkaar hadden afgesproken. Daarbij was het niet van belang, aldus de rechtbank (in r.o. 4.5) in hoeverre een tweede franchise onderneming levensvatbaar zou zijn, dan wel dat de eerste franchisenemer schade zou lijden door deze aanvullende concurrentie. De rechtbank noemt het intrekken van de exclusiviteit door de franchisegever verder een “mildere reactie” dan het volledig opzeggen van de franchiseovereenkomst.

Gezien de beperkte omvang van het eindvonnis en bij gebreke van kennis over de (proces)stukken is het niet mogelijk om één en ander uit het vonnis volledig te duiden. Wel kan in zijn algemeenheid worden opgemerkt dat het opheffen van de exclusiviteit zeker niet milder hoeft te zijn dan het opzeggen van de franchiseovereenkomst. Als een franchisenemer (om wat voor reden dan ook) geen goede omzet weet te genereren in zijn rayon, dan zal dat niet veel beter worden op het moment dat er extra concurrentie vanuit de formule kan plaatsvinden. Komen de omzetten van de franchisenemer daardoor verder onder druk te staan, dan is een beëindiging van de samenwerking alsnog noodzakelijk, al dan niet met meer schade (zoals oplopende schulden) aan de zijde van de franchisenemer.

Verder zou het rendement en de levensvatbaarheid van een tweede vestiging juist wel van belang moeten zijn bij de beoordeling van de juistheid van de beslissing van de franchisegever om de exclusiviteit op te heffen. Immers, het belang van de franchisegever om een franchisenemer zijn exclusiviteit te ontnemen zal er primair in gelegen zijn om een andere franchisenemer (of zichzelf) in staat te stellen om de markt adequaat te bedienen. Als echter aantoonbaar blijkt dat een tweede vestiging dat helemaal niet zal realiseren, maar enkel de bestaande franchisenemer schade zal berokkenen, dan is het de vraag in hoeverre de franchisegever op grond van de redelijkheid en de billijkheid kan overgaan tot het opheffen van het exclusieve rayon.

Het lijkt er op dat de rechtbank in bovengenoemde kwestie dat in ieder geval een brug te ver vond. Het toont weer eens te meer aan dat een (kandidaat-)franchisenemer er verstandig aan doet om het franchise contract goed door te lezen voordat deze wordt getekend. Een exclusief rayon kan immers helemaal niet zo exclusief blijken te zijn.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?