Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Franchisenemer gehouden aan non-concurrentiebeding startende formule

Jan-Willem Kolenbrander

13 november 2014 - 2 minuten leestijd

Een postcontractueel non-concurrentiebeding verbiedt een ex-franchisenemer doorgaans om, na het einde van de samenwerking met de franchisegever, gedurende een bepaalde periode in een bepaald gebied bepaalde activiteiten te ontplooien. Zoals in een eerder artikel al is toegelicht (lees hier) kunnen er echter omstandigheden zijn om een dergelijk beding aan te tasten.

In een kwestie die onlangs bij de rechtbank Rotterdam speelde (lees het vonnis hier) werd een ex-franchisenemer door haar voormalige franchisegever gehouden aan een dergelijk non-concurrentiebeding. Eén van de redenen daarvoor was kennelijk dat de betreffende franchisegever reeds een nieuwe franchisenemer voor de regio had gevonden, die het vertrek van de ex-franchisenemer moest opvangen. De nieuwe franchisenemer zou mogelijk hinder kunnen ondervinden van de ex-franchisenemer als deze concurrerende activiteiten zou ontplooien.

De ex-franchisenemer verweerde zich bij de rechter door een beroep te doen op dwaling, omdat de franchisegever haar, voorafgaand aan het tekenen van de franchiseovereenkomst, onjuiste exploitatieprognoses zou hebben verstrekt. Als dat verweer zou slagen dan zou de volledige franchiseovereenkomst, inclusief non-concurrentiebeding, van tafel zijn geveegd. De ex-franchisenemer zou er dan niet aan gehouden kunnen worden door de franchisegever.

In onderhavige kwestie kwam voor de rechter echter niet vast te staan dat er inderdaad sprake zou zijn van een onjuiste exploitatieprognose. Het verweer van de ex-franchisenemer stuitte mede daarop af. Daarbij vond de rechter het niet onwaarschijnlijk dat de franchisegever een beroep zou toekomen op een bepaald artikel in de franchiseovereenkomst. Hierin was bepaald dat de franchiseformule nog maar enkele jaren bestond en dat de verstrekte exploitatieprognose enkel gebaseerd was op de eigen (beperkte) ervaringen van de franchisegever. Aldus dat artikel moest de ex-franchisenemer zelf onderzoek doen naar de juistheid van de verstrekte prognoses en kon zij er (dus) niet blind op varen.

Volgens het oordeel van de rechter valt niet uit te sluiten dat de franchisegever een succesvol beroep op bovengenoemd artikel kan doen. Hoewel het oordeel slechts een voorlopig oordeel is, blijkt het in ieder geval uitermate verstandig te zijn voor beginnende franchiseformules om in de franchiseovereenkomst iets op te nemen in dat kader. Het enkele feit dat een franchiseformule beginnende is, brengt niet automatisch met zich mee dat een franchisenemer niet op een verstrekte prognose mag vertrouwen. Dat heeft een rechter onlangs in een andere zaak uitgemaakt (lees punt 4.30 van dit vonnis). Een aanvullende bepaling in de franchiseovereenkomst kan dan uitkomst bieden. Alternatief kan de franchisegever er voor kiezen om helemaal geen exploitatieprognose te verschaffen, maar dat volledig aan de franchisenemer over te laten. Dat is uiteraard de meest veilige route.

Jan-Willem Kolenbrander (advocaat franchiserecht)

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?