Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Franchisenemers C1000 vragen tevergeefs om inzage Ahold dossier

Jan-Willem Kolenbrander

7 oktober 2014 - 2 minuten leestijd

Het zijn roerige tijden voor de franchisenemers van de supermarktketen C1000. Eind 2011 is deze formule in handen gekomen van Jumbo, die heeft aangegeven de C1000 formule uiterlijk eind 2015 te willen beëindigen. Enkele C1000 supermarkten zijn daarbij door Jumbo reeds overgedragen aan Ahold. Het is voor de franchisenemers van C1000 dan ook duidelijk dat zij – voor zover al niet reeds is gebeurd – van formule moeten wijzigen, zonder dat zij daarover enige echte inspraak hebben gehad.

Om meer te weten over de afspraken die Jumbo met Ahold had gemaakt in het kader van de overname van de winkels had de vereniging van franchisenemers C1000 om inzage verzocht aan Jumbo, ook met het oog op de onderhandelingen met Ahold. Die verwees haar door naar Ahold, die echter ook geen inzage wilde geven in de gemaakte afspraken. De vereniging van franchisenemers voelde zich om die reden genoodzaakt om een zogenaamde ‘843a Rv’ – procedure aanhangig te maken om deze informatie, en andere informatie, alsnog te verkrijgen.

Op grond van artikel 843a Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het mogelijk voor een partij om bij de rechter inzage, een afschrift of een uittreksel te vorderen van bepaalde stukken die niet in zijn bezit zijn, maar in het bezit bij een andere partij. Dit artikel betreft een uitzondering op de hoofdregel dat een partij, die stukken in zijn bezit heeft, die nu juist niet hoeft te overleggen (of te laten zien) aan anderen. Enkele voorwaarden voor een geslaagd beroep op 843a Rv zijn dat de partij, die hierop een beroep wil doen, een rechtmatig belang heeft bij diens verzoek en hij (of een rechtsvoorganger) partij zijn bij de betreffende rechtsverhouding. Verder moet het om een concreet verzoek om duidelijk bepaalbare stukken gaan. Diegene die de stukken onder zich heeft hoeft echter geen inzage, afschrift of uittreksel te verschaffen indien daarvoor gewichtige redenen zijn, dan wel indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de stukken niet nodig zijn voor een behoorlijke rechtsverdeling.

In bovengenoemde kwestie meent de voorzieningenrechter (lees het vonnis hier) dat de vereniging echter geen beroep kan doen op artikel 843a Rv. Zo ontbreekt het in de visie van de rechter onder meer aan rechtmatig belang van de zijde van de franchisenemers. Volgens de rechter kunnen immers de rechtsverhoudingen tussen de franchisenemers en hun verhuurder (eerst C1000, nu Ahold) gekend worden door de (onder)huurovereenkomsten. Deze worden geacht bekend te zijn bij de franchisenemers, zodat verdere inzage in nadere stukken geen toegevoegde waarde heeft. Het verzoek om inzage in andere stukken stuit af op de (mogelijk) bedrijfsgevoelige informatie die deze kunnen bevatten.

Jan-Willem Kolenbrander (advocaat franchise recht)

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?