Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Tussentijds aanpassen fee structuur niet mogelijk…Maar niet onmogelijk!

Jan-Willem Kolenbrander

24 april 2014 - 3 minuten leestijd

Het is een vraagstuk waar diverse franchisegevers met enige regelmaat mee te maken krijgen. In de franchiseovereenkomst is een bepaalde fee structuur afgesproken met de franchisenemers als tegenprestatie voor hun gebruik van de (merk- en handels)naam van de franchisegever, alsmede voor de ondersteuning en bijstand van de zijde van de franchisegever.

Op een gegeven moment kan deze afgesproken fee echter onvoldoende blijken te zijn, bijvoorbeeld omdat door ontwikkelingen binnen de formule of door veranderingen in de markt de franchisegever aanzienlijk meer kosten moet maken voor (bepaalde) ondersteuning en bijstand dan waarmee in eerste instantie rekening was gehouden. Om de benodigde ondersteuning en bijstand dan te kunnen verstrekken is – simpel gezegd – meer geld nodig.

Een aanpassing van de fee structuur (lees: verhoging van de franchise fee) ligt dan uiteraard voor de hand, hoewel een éénzijdige aanpassing van een dergelijk integraal onderdeel van de samenwerking door de franchisegever in strijd kan zijn met de franchiseovereenkomst. Bestaat er geen contractuele bevoegdheid om een dergelijke aanpassing te doen, dan heeft  de franchisegever in dat geval de medewerking nodig van alle individuele franchisenemers om een dergelijke aanpassing door te kunnen voeren. Wat echter als bepaalde franchisenemers weigeren om mee te werken?

Onlangs speelde bij het gerechtshof te Amsterdam (lees het volledige arrest hier) een kwestie die hier in essentie over ging. Aldus de franchisegever was de eerder met de franchisenemers afgesproken marketingbijdrage (€ 100 per maand) niet afdoende om de huidige marketingkosten van de formule te blijven dekken en werd – met akkoord van alle franchisenemers – een tijdelijke wijziging aangebracht in de fee structuur terzake van marketing. Franchisenemers zouden een marketing fee van 1% per maand over de omzet dienen te betalen.

Toen de franchisegever op enig moment opperde om deze tijdelijke wijziging van de marketing fee voort te zetten voor nog een jaar, vond de meerderheid van de franchisenemers dit kennelijk een acceptabel plan. Een franchisenemer stemde echter tegen de voortzetting van de wijziging en weigerde de daarbij behorende fee aan de franchisegever te voldoen. Na enige aanmaningen werd deze franchisenemer in rechte betrokken door de franchisegever en vorderde de franchisegever betaling van de (gewijzigde) marketing fee. In eerste aanleg ving de franchisegever echter bot. Aldus de rechtbank bood de betreffende franchiseovereenkomst geen grondslag voor de vordering van de franchisegever. Ook gaf de franchiseovereenkomst de franchisegever niet het recht om de samenwerking op die manier aan te passen.

De franchisegever ging vervolgens in hoger beroep, doch ook bij het gerechtshof te Amsterdam trof zij een onwillig oor om nagenoeg dezelfde redenen als in eerste aanleg, te weten dat de franchiseovereenkomst geen grond bood voor wijziging van de fee structuur. Het beroep van de franchisegever op het zogenaamde “franchiseketenbedrag”, te weten het belang van het collectief van de franchisenemers en de formule, mocht in deze de franchisegever niet baten.

Hoewel het betoog van het gerechtshof zeer begrijpelijk te noemen is, ook in het kader van de rechtszekerheid, is het eindresultaat op een bepaalde manier echter ook wel weer enigszins onbevredigend te noemen als gekeken wordt naar franchising als collectieve samenwerkingsvorm. Franchising bestaat er immers nu juist uit dat ‘gelijke monniken gelijke kappen’ dragen. In bovengenoemde kwestie heeft een individuele franchisenemer echter een door de meerderheid van de franchisenemers goedgekeurd plan gefrustreerd, waarbij ik verder in het midden laat in hoeverre dit plan ook daadwerkelijk nuttig c.q. wenselijk was. Dat schuurt met de eenheidsgedachte binnen franchising. Het is dan ook terecht dat het gerechtshof in rechtsoverweging 3.7 opmerkt dat het “niet ondenkbaar” is dat in het belang van de franchiseformule en het collectief van franchisenemers alsnog bepaalde verplichtingen kunnen worden opgelegd aan franchisenemers. Ook als deze verplichtingen dus niet met zoveel woorden in de franchiseovereenkomst zijn opgenomen. Hiermee onderkent het gerechtshof dus het collectieve belang van een franchise formule en haar franchisenemers. Een beroep op dit collectieve belang kan dus wel degelijk kans op succes kennen als de omstandigheden daar naar zijn.

Het is duidelijk dat het voor een franchisegever op dit moment (te) riskant is om enkel te varen op de beoordeling van een zaak door een individuele rechter. Een concrete bepaling in de franchiseovereenkomst, die de franchisegever het recht geeft om onder bepaalde (redelijke) omstandigheden wijzigen door te voeren in de samenwerking, biedt uiteraard uitkomst. Daarbij blijkt uit voornoemde kwestie dat een deugdelijke overlegstructuur met de franchisenemers, hetzij in de vorm van een franchiseraad, hetzij in de vorm van een franchisevereniging, een uitermate nuttig instrument kan zijn om alle spreekwoordelijke neuzen dezelfde kant op te krijgen. Van belang is uiteraard dan wel om er voor te zorgen dat rechtsgeldig genomen besluiten van de franchiseraad of vereniging de individuele franchisenemers ook binden, teneinde individuele discussies te voorkomen. Op die wijze kan getracht worden om op een efficiënte manier de collectieve belangen binnen de formule te behartigen.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?