Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Rechter honoreert beroep op exoneratiebeding door franchisegever niet…Maar stiekem ook weer wel…

Jan-Willem Kolenbrander

16 april 2014 - 2 minuten leestijd

Zoals bekend, kan een partij contractueel zijn aansprakelijkheid beperken door middel van een zogenaamd exoneratiebeding. Bij franchise gerelateerde kwesties zal een franchisegever doorgaans exoneratiebedingen in de franchiseovereenkomst opnemen, bijvoorbeeld  ten aanzien van de exploitatieprognoses die zij verstrekt aan (kandidaat-)franchisenemers.

Zou er achteraf sprake blijken te zijn van een ondeugdelijke prognose, dan dient deze exoneratie er toe om de aansprakelijkheid van de franchisegever jegens de franchisenemer zoveel mogelijk te beperken.

In de praktijk blijkt echter dat dergelijke exoneratiebedingen, uiteraard naar gelang de verdere omstandigheden van de zaak, weinig bescherming bieden voor de franchisegever als eenmaal vast komt te staan dat zij een ondeugdelijke prognose heeft verstrekt. Een rechter zal het beroep op een dergelijk beding dan vaak in strijd met de redelijkheid en billijkheid achten. Van belang daarbij is dat er ook rechtspraak bekend is waarbij een exoneratiebeding wel degelijk toelaatbaar wordt geacht.

In een recente kwestie bij de rechtbank Overijssel (lees het vonnis hier) werd een franchisegever door een franchisenemer verweten dat zij ondeugdelijke prognoses had verstrekt. De franchisegever beriep zich onder meer op een exoneratiebeding in de franchiseovereenkomst dat –kort gezegd – bepaalde dat zij nimmer aansprakelijk was voor verstrekte informatie en cijfermaterialen. Hoewel uit het vonnis de gronden voor deze afwijzing niet duidelijk naar voren komen, is wel helder dat de rechter het beroep op het exoneratiebeding niet wilde honoreren. Einde verhaal wat dat betreft, ware het niet dat er eveneens in het betreffende exoneratiebeding een verplichting voor de franchisenemer was opgenomen tot nader onderzoek van de verstrekte cijfers. Mede die zinsnede in combinatie met een beroep op de eigen schuld door de franchisegever leidde er toe dat de rechtbank oordeelde dat er sprake was van een verzwaarde onderzoeksplicht van de franchisenemer naar de juistheid van de prognoses. Door dat onderzoek na te laten, was de rechtbank van mening dat de franchisenemer tot een bepaalde hoogte eigen schuld had aan de door hem geleden schade, waardoor hij 1/3e deel van de schade zelf diende te dragen.

De door de rechtbank gehanteerde verdeling van 1/3e ten laste van de franchisenemer is uiteraard arbitrair te noemen. Waarom niet 1/2e of 1/5e? Voor de praktijk is verder relevant om op te merken dat een franchisegever er verstandig aan doet om uitdrukkelijk in de franchiseovereenkomst op te nemen dat er een onderzoeksplicht rust op de (kandidaat-)franchisenemer ten aanzien van de verkregen exploitatieprognoses. Kan er immers geen direct beroep op een exoneratiebeding worden gedaan, dan slaagt mogelijk wel een beroep op de eigen schuld via de verzwaarde onderzoeksplicht.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise recht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?