Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
Franchiserecht

Schadevergoeding en mededelingsplicht bij dwaling

Jan-Willem Kolenbrander

6 februari 2014 - 2 minuten leestijd

Zoals in een eerdere weblog (zie hier) reeds is opgemerkt, is een regelmatig voorkomend item binnen franchising dat een (kandidaat-)franchisenemer zich op het standpunt stelt dat hij, voorafgaand aan het tekenen van de franchiseovereenkomst, onjuiste (financiële) informatie heeft gekregen van zijn franchisegever.

Indien vast komt te staan dat deze franchisenemer de franchiseovereenkomst onder een onjuiste voorstelling van zaken heeft gesloten, dan kan hij deze overeenkomst onder bepaalde omstandigheden vernietigen op grond van dwaling. De overeenkomst wordt dan geacht nooit bestaan te hebben en partijen kunnen er geen beroep op doen.

Eind vorig jaar zijn een tweetal uitspraken gewezen over dwaling in niet-franchise gerelateerde kwesties, die desalniettemin interessant kunnen zijn voor de franchisepraktijk. De eerste kwestie (lees het arrest hier)  betrof een geschil over de koop van een bedrijfspand. Voorafgaand aan het ondertekenen van de koopovereenkomst had de verkoper schriftelijke garanties verstrekt aan de koper. Deze garanties bleken achteraf niet juist. De koper vernietigde vervolgens de koopovereenkomst op grond van dwaling en vorderde een schadevergoeding van de verkoper op grond van wanprestatie. Dat laatste was volgens de Hoge Raad echter niet mogelijk. Doordat de overeenkomst immers was vernietigd, kon er geen sprake zijn van wanprestatie. Voor wanprestatie is immers een overeenkomst noodzakelijk. Omdat dwaling verder geen zelfstandige grondslag vormt voor een schadevergoeding had de koper zijn vordering tot schadevergoeding moeten baseren op, bijvoorbeeld, een onrechtmatige daad of de redelijkheid en billijkheid. Dit voorgaande is eveneens van toepassing op franchise-gerelateerde kwesties. Indien een franchiseovereenkomst is vernietigd, dient een vordering tot schadevergoeding gebaseerd te zijn op een onrechtmatige daad of de redelijkheid en billijkheid.

In een andere kwestie (lees het arrest hier)  was er sprake van de koop van een onderneming. Voorafgaand aan deze koop had de kopende partij een zogenaamd ‘due diligence’-onderzoek uitgevoerd, maar had zij verzuimd om ook het eerste kwartaal van 2011 te beoordelen, hoewel die informatie wel voorhanden was. In dat kwartaal was er kennelijk sprake van een scherp dalende omzet van de onderneming. Toen koper dat later alsnog opmerkte, verweet zij het de verkoper dat deze niet uit zichzelf aan haar had medegedeeld dat de omzet het eerste kwartaal van 2011 scherp was gedaald. De koper wilde vervolgens de koopovereenkomst vernietigen op grond van dwaling. Het gerechtshof was echter van mening dat de verkopende partij wel degelijk aan haar mededelingsplicht had voldaan jegens koper door volledige openheid van zaken te geven. Dat koper zelf had verzuimd om bepaalde informatie te onderzoeken diende voor haar eigen rekening en risico te blijven. Er bestaat immers geen mededelingsplicht voor verkoper voor zaken die bekend geacht kunnen worden bij de koper. Koper kwam dan ook geen beroep op dwaling toe.

Op grond hiervan doet een franchisegever er dan ook goed aan om een (kandidaat-)franchisenemer zo goed en volledig als mogelijk te informeren over de franchise.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchiserecht

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?