Advocaten en notariaat in Leiden en Den Haag
Menu
IT, IE & Privacy

Een klein beetje auteursrechtinbreuk is geen inbreuk

2 januari 2014 - 3 minuten leestijd

In een recent vonnis oordeelde de Rechtbank Amsterdam dat de gedaagde partij zich weliswaar mogelijk schuldig heeft gemaakt aan auteursrechtinbreuk, maar  dat de geringe omvang van de inbreuk er toe leidt dat de vordering van de auteursrechthebbende dient te worden afgewezen. De Rechtbank gebruikte het relatief recent ingevoerde artikel 18a Auteurswet (Aw), de zogenaamde ‘de minimis-bepaling’, als grondslag voor dit oordeel.

Het in 2004 in werking getreden art. 18a Aw luidt: “Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de incidentele verwerking ervan als onderdeel van ondergeschikte betekenis in een ander werk.” De Memorie van Toelichting (MvT) bij het artikel zegt onder meer: “Deze bepaling is een voorbeeld van een geval dat ook door toepassing van de eerder bepleite «fair use» regel gedekt zou kunnen worden. Voorzover het gaat om de toevallige verwerking van dergelijke werken als bijzaak van ondergeschikte betekenis in ander materiaal zou toepassing van het auteursrecht tot ongewenste gevolgen in termen van handhaving, administratieve lasten en belemmeringen van een vrije informatiegaring en -verspreiding leiden. Waar het gebruik weliswaar op zichzelf van bescheiden omvang is maar wel beoogd en bewust en daarmee niet toevallig plaatsvindt, met het oogmerk van integratie in en vergroting van de waarde van een nieuw werk, bijvoorbeeld het verwerken van bepaalde, weloverwogen gekozen geluidsfragmenten in een nieuw muziekwerk, is de beperking echter niet van toepassing.

In de hierboven genoemde zaak had de eigenaar van de gedaagde partij tijdens een familiebezoek in Engeland een drietal fotolijstjes met foto’s bij een cadeauwinkel gekocht voor 5 GBP per stuk. Na terugkomst in Nederland heeft gedaagde de lijstjes met foto in haar webwinkel te koop aangeboden voor 12,99 euro per stuk. Ondanks het feit dat geen van de drie foto’s verkocht werd, is gedaagde gedagvaard door fotostockbureau Masterfile, waarbij de beschuldiging was dat gedaagde auteursrechtinbreuk heeft gemaakt door de gewraakte foto’s via haar webshop zonder toestemming van de rechthebbende openbaar te maken en te verveelvoudigen. De vermeende inbreuk zag kennelijk niet zozeer op het te koop aanbieden van het lijstje en de foto zelf, maar op het door middel van een foto (van de foto) aanbieden van het werkje via de webshop.

Zonder aan inhoudelijke overwegingen (zoals bijvoorbeeld ten aanzien van het leerstuk van uitputting (art. 12b Aw)) toe te komen, laat de Rechtbank de zaak al in een eerder stadium ‘stranden’. De rechtbank stelt namelijk dat het onderwerp van onderhavige zaak “een bagatel” is en dat art. 18a Aw nu juist bedoeld is om dit soort zaken snel af te kunnen doen. Volgens de Rechtbank is er sprake van een verwerking “als bijzaak van ondergeschikte betekenis” en blijkt uit alles dat gedaagde niet doelbewust de gewraakte foto op haar website heeft geëxploiteerd, maar dat zij slechts beoogde om drie fotolijstjes die zij te goeder trouw in Engeland had gekocht met een zeer bescheiden winst door te verkopen via haar website. De vordering van eiser werd dus afgewezen.

Vooral de laatste overwegingen van de Rechtbank zijn interessant, aangezien het in beginsel niet uitmaakt of ‘opzettelijk’ auteursrechtinbreuk wordt gepleegd.  Uit het systeem van de Auteurswet volgt dat omvang, duur of opzet geen rol kunnen spelen bij de vraag of al dan niet sprake is van auteursrechtinbreuk. Met art. 18a Aw in de hand heeft een rechter tegenwoordig echter meer ruimte om het gesloten systeem van de Auteurswet af en toe open te breken.

Waar de Rechtbank niet op in gaat, maar wat wel relevant is, is de vraag of sprake is van een “weloverwogen gekozen” onderdeel van een werk. Immers, de MvT lijkt te suggereren dat art. 18a Aw alleen geldt voor een onbetekenende (potentiële) inbreuk die als het ware ‘per ongeluk’ gemaakt wordt. Een weloverwogen gekozen verveelvoudiging of openbaarmaking van een (deel) van een beschermd werk, lijkt dus niet onder de werkingssfeer van art. 18a Aw te vallen. Afgevraagd kan worden in hoeverre dit een juiste conclusie is en in hoeverre dit punt in onderhavige zaak een rol had moeten spelen. Voor de geïnteresseerde lezer verwijs ik hierbij naar een vonnis van de Rechtbank Arnhem over het gebruik van een wandschildering in de Amsterdam ArenA in een computerspel (Rb. Arnhem 21 september 2005, IER 2005/84, LJN AU5454 (Tellegen/Codemasters)).Tenslotte kan afgevraagd worden hoe art. 18a Aw zich verhoudt tot het citaatrecht (art. 15a Aw).

Willem Balfoort (advocaat (IE/IT/Privacy).

Blijf op de hoogte

Ontvang de laatste updates en de beste tips in je inbox

Ook interessant?